ACHTTIENDE-EEUWSCH INDIVIDUALISME.
OPKOMST. ALGEMEEN OVERZICHT.
Wanneer mannen van de kracht en het gehalte van Pierre Bayle niet meer stellen, maar opheffen — van buiten gezien: niet meer bouwen, maar breken, niet meer stichten, maar ontwrichten — dan ligt daarin een duidelijk teeken, dat de tijd voor het stellen, het bouwen, het stichten weer verloo-pen is, dat voor de maatschappij, waarin ze werken en leven, de ontbinding, de opheffing nadert, als symptoom van der Eenheid vernieuwde zelfonderscheiding onder deze categorie
— en dat zij het zijn, in hunne geestelijke nakomelingschap, die haar ontbinden zullen. We brengen in dit verband nog even in herinnering, wat van de Middeleeuwen tegenover de Renaissance werd gezegd: niet de ,,fouten" van de Middeleeuwen wekten de critiek der Renaissancisten, deze critiek beduidde eenvoudig als individualisme, de ,,zelfherkenning" der Eenheid, die in de eeuwige wisseling der dingen de ,,zelfvergetelheid", uitgedrukt in collectiviteitsgevoel, vervangen kwam. Zoo ook hier. De critische zin, het scepticisme van een man als Bayle kwam niet voort — komt nimmer voort — uit wat hij rondom zich zag; ze was eenvoudig een nieuwe gemoedsbehoefte; teeken van een nieuwe noodzakelijkheid. Deze zelfde critische zin zou weliswaar, doorwerkend, de geheele Fransche staatsinstelling sloopen, maar Bayle zelf was naar dien kant en naar eigen gevoelen allerminst revolutionnair
— zijn sympathieën lagen bij het koningschap, al behoeven we de hooggestemde lofrede op Willem III ,,Favori de Dieu" in zijn ,,Avis aux Réfugiés" niet al te letterlijk op te vatten, en mocht hij al geen fanatisch absolutist als Hobbes wezen, van wiens ,,Leviathan" hij in zijn ,,Nouvelles de la Républi-que des Lettres" getuigt, dat hij den mensch verlaagt tot den
338