met onmiskenbare duidelijkheid, dat de geest van Humanisme en Renaissance, van Petrarca en M.ontaigne, tegelijk critisch en verdraagzaam, nederig en fier, rechtstreeks heenwijzend naar den geest van Lessing en Voltaire, Goethe en Kant, weer in aantocht is, als de zichtbare verwezenlijking van der Eenheid zelfonderscheiding tot zelfopheffing, waarvan we in de volgende hoofdstukken de ontplooiing zullen pogen te schetsen.
Aldus leert ons reeds deze korte uiteenzetting, wat we ook in de voorafgaande hoofdstukken voortdurend hebben kunnen opmerken, dat het gevoel voor de Eenvormigheid (voor de collectiviteit, de zichtbare, tastbare ״gemeenschap") afneemt, naarmate het gevoel voor de Eenheid (de onzichtbare, ontastbare) toeneemt — en hoezeer dus Eenheid en Eenvormigheid eikaars vijanden zijnl Niet in den hooggeprezen Staat en Kerk openbaart zich het Absolute aan zichzelf, maar in het individu, dat zich dan juist altijd van Staat of Kerk af keeren zal en moet. Dit aan te toonen, is de bedoeling van onzen geheelen arbeid en we hopen in de nu volgenden ontwikkelingsgang duidelijk de bevestiging er van te geven.
337