voor zoover ze althans werkelijk waren, wat ze zoo gaarne wanen te zijn: bewust.
Elke ,,gemeenschaps-kunst", die niet eenvoudig buiten de maatschappij staat, maar inderdaad de gemeenschappelijke idealen en beginselen uitdrukt op bezielde en oprechte wijze, zal er dus voor een later nageslacht precies zoo leugenachtig uitzien als voor ons ,,Le Cid", zal dezelfde leemten en leeg-ten vertoonen; de personen zullen er dezelfde onware rollen spelen als inderdaad in de goedgeordende maatschappij de menschen spelen, die van onpersonen, van automaten, zonder oordeel, zonder rede en zonder geweten, tupschen dogma's als tusschen planken bekneld, want de grondslag van het maatschappelijke is de krachtige redeloosheid, is het blinde vertrouwen.
Voor ons spontaan gevoel is een maatschappij op socialistische grondslag wellicht niet zoo innerlijk-onwaar en zedelijk-ontoereikend als de zeventiende-eeuwsche maatschappij, waarvan ,,ridderdeugd", autoriteiten-verheerlijking en onderdanentrouw de grondslagen vormen. Maar dit be-teekent niets dan dat ook wij egocentrisch en kortzichtig zijn, allen onderhevig aan hetzelfde ,,optische bedrog" en onze inzichten tegen beter weten in voor de universeel-ware houden — moeten houden — voor zoover wij (blind) vertrouwen noodig hebben om in onze eigen taak te volharden. Zoo schijnt ons de zeventiende-eeuwsche en de huidige theologie wellicht niet zóó absurd als de Middeleeuwsche scholastiek — omdat wij innerlijk aan de theologische dogma's en vooral aan de er aan verwante voorstellingswereld nog niet volkomen zijn ontgroeid. Tegenover het zuivere denken echter verhouden zich de allermodernste theologie en de allerabsurdste scholastiek precies hetzelfde. Tegenover het redelijke en zedelijke individualisme staat een ,,monarchale" maatschappij in geen andere verhouding dan een ,,socialistische" maatschappij. 1)
De maatschappij, de organisatie is, naar we herhaaldelijk zeiden, van de Eenheid uit gezien, de verschijning van het
J) Voorbeeld van hetzelfde ,,optische bedrog'' is het evenzeer ongegrond als onmatig idealiseeren door de Fransche denkers en schrijvers in de 18e eeuw (Voltaire o.a.) van de toenmalige Engelsche Staatsregeling, waarover wij thans bitter weinig illusifes hebben en van welker voortreffelijkheid reeds Michelet geen dupe meer was!
250