afzonderlijke, het ״gebrokene", waarin de Eenheid zich zelf ontvliedt om zichzelf voor de zelfopheffing te hoeden — alle maatschappelijke idealen, instellingen en vormen dragen dus noodzakelijkerwijs dat tijdelijk, dat afzonderlijk en vergankelijk karakter, waardoor ze alleen den tijdgenoot, nimmer het nageslacht belang kunnen inboezemen.
Het oppositie-voerend individualisme is, naar we zagen, van de Eenheid uit, de verschijning van de Eenheid, die tot bewustzijn van zichzelf komt en in die zelfherkenning naar zelfvernietiging streeft—alle individueele droomen, pogingen en verlangens dragen dus dat eeuwig, dat onvergankelijk ondogmatisch karakter, waardoor ze niet alleen den tijdgenoot, neen, vaak juist niet den tijdgenoot (als deze nl. tot de reactionnaire meerderheid hoort 1) doch juist wèl het nageslacht belang inboezemen.
Maatschappelijke kunst staat dus tegenover oppositiekunst als het tijdelijke en bijzondere tegenover het eeuwige en essen-tieele —.
Noemen we spontaan een kunstenaar ,,modern", heeten we zijn kunst eeuwig-menschelijk, dan bedoelen we altijd individualistisch, ook al willen (kunnen) we dat niet erkennen. Niemand zal van Corneille getuigen dat zijn kunst modern en eeuwig-menschelijk is — maar iedereen getuigt het spontaan van Shakespeare, den man van de eerste Renaissance, en van Goethe, den man van de tweede Renaissance, de achttiende eeuw. Wat kennen we en bewonderen we nog van de Middel-eeuwsche litteratuur? ,,Reinsert de Vos" — het oppositie-boek, het anti-maatschappelijke boek. We zullen in den loop van ons betoog met vele andere voorbeelden pogen te staven, dat de kunst, die wij instinctief voelen als „modern", als „eeuwig-menschelijk", dat de kunst die ons na staat altijd uit anti-maatschappelijke sentimenten voortkwam en zulks niet, naar de kunstenaar-zelf meent, door de toevallige tekorten van deze of gene maatschappij, maar door het eeuwig, noodzakelijk verschil tusschen de universeele sentimenten en gedachten van den kunstenaar en den wijze — en de opportunistische eischen van elke maatschappij, weerspiegeld in maatschappelijke kunst en kerkelijke theologie. We hebben dit nu eenmaal leeren inzien — het is juist de bedoeling van dezen arbeid om aan te toonen wanneer en hoe we tot dit inzicht zijn gekomen — en we
Prometheus 17 251