onverzoenlijk is. Ze luidt: Credo quia absurdum.
Eeuwen tevoren, in den mond van den vroeg-Christelij ken ,,propagandist" Tertullianus hadden deze woorden een gansch andere beteekenis. De Christelijke ,,gemeente", de kerkelijke collectiviteit ving toen aan zich te vormen in, te differentieeren aan de ondergaande ,,Heidensche" maatschappij. *We hebben in onze Inleiding uiteengezet hoe de distinctiedrang als levensnoodzaak door de collectiviteit van het individu wordt overgenomen, zoodra dat individu in de collectiviteit opgaat (ondergaat). De persoonlijke distinctiemiddelen worden dan naar buiten vervangen door collectieve, naar binnen door geuni-formiseerde persoonlijke, gelijk we dat hebben uiteengezet. Nogmaals herinneren we aan het woord van Nietzsche: ,,Leben könnte kein Volk, das nicht erst schätzte, will es sich aber erhalten, so darf es nicht schätzen, wie der Nachbar schätzt." Hoe scherper zich nu een wordende collectiviteit in en van een vervallende, vijandige wil onderscheiden, d.i. hoe krachtiger zij daarin wil bestaan, tegen den (waren of ge-waanden) grondslag der oude collectiviteit. In dat licht wordt ons de bekende uiting van Tertullianus — Gods zoon is gekruisigd, dit is beschamend, dus schaam ik mij daarover niet; Gods zoon is gestorven, dit kan niet zijn, dus is het zoo; Gods zoon is opgestaan, dit is onmogelijk, dus staat het onomstoo-telijk vast — volkomen duidelijk, krijgt ze de beteekenis van een felgekleurd banier, van de gewilde, de gekozen, de volkomen redeloosheid tegenover de ,,Heidensche" redelijkheid der stoïcijnen. Zoo zonder eenig commentaar, zonder toelichting, zonder ,,ergo" of ,,want" vermocht Augustinus de woorden alreeds niet meer over te nemen, daar ze toen eigenlijk hun dienst al hadden gedaan, zoodat later steeds de rede moest worden geforceerd om begrijpelijk en aannemelijk te maken, wat eens was gezegd om te worden als merkteeken op de borst gedragen, niet om te worden onderzocht of begrepen. Niet dat de rede, daartoe opgevorderd, in gebreke blijft. Dat toont ons Augustinus en dat toont ons Pascal. Deze wordt als met een magneet tot de rede getrokken en weet toch den ouden krijgskreet een nieuwe werkelijkheid in te blazen, tot een nieuwe leuze te maken.
Men behoeft geenszins Pascals ,,Pensées" gelezen te hebben
208