wil. ״II faut savoir clouter oü il faut, assuer oü il faut, se soumettre oü il faut". Maar wanneer, maar hoe, maar op welken grondslag? ,,Ik ben de maatstaf van alle dingen" — is het onuitgesproken antwoord van den man, die zich in eerlijken gemoede ,,nederig" waant, en op den achtergrond verschijnt reeds de Autoriteit, al wordt hij nog niet openlijk als de eenige uitkomst beleden, al laat zich de Intelligentie de laatste illusie van eigen werkzaamheid nog niet ontnemen.
,,Credo quia absurdum." Niet omdat ik moet gelooven, geloof ik, maar omdat ik wil gelooven, met zijn redelijkheid als richtsnoer, het absurde juist om zijn absurditeit.
Elke absurditeit om zijn absurditeit? Ach neen, alleen die, waaraan mijn ingeschapen dorst naar stelligheid zich bij voorbaat al heeft gehecht. Is niet de ongerijmdheid en onsamenhangendheid der Schriftuurlijke overleveringen het bewijs van hun goddelijke herkomst? Zouden niet menschen, om geloofwaardig te schijnen, hun verhalen een logisch, een samenhangend aanzien gegeven hebben ? Credo quia absur-dum. Zijn dus alle ongerijmdheden goddelijk? Ach neen — alleen die, welke wij gelooven, niet die, welke ,,heidenen" en „filosofen" gelooven. Pascals ziel is een kerker, waarvan een hoogere Noodzakelijkheid de wanden opgemetseld heeft: zijn intelligentie zit er gevangen en vliegt tegen de onverzettelijke muren op en hij moet haar, tot zijn levensbehoud, niet alleen aan het verstand brengen dat ze vrede heeft met haar kerker, maar dat ze die uit eigen beweging, uit eigen vrijwillige keuze opgetrokken heeft. Anderen bemerken zelfs niet, dat ze in een kerker zitten en meenen de gansche wereld te overzien in een effen gemoedsrust: Bossuet. Lateren zullen berusten in het Noodlot, dat om ieders geest een kerker optrekt en rustig daarbinnen aan bereikbaren arbeid tijgen — of wel het heimwee naar wat buiten den kerker is, zal ze in dood en verbijstering drijven, elk naar zijn aard — Pascals Noodlot is, dat hij niet critiekloos gelooven kan en niet critisch twijfelen kan — dat hij een overgang vormt tusschen twee onderling tegenstrijdige geestelijke mouvementen: een critische en een critieklooze; dat hij een slagveld is, waarop de beide tendenties der Eenheid tegen elkander botsen; en aan Pascal is opgelegd, de verzoeningsformule te vinden voor wat in tijd en eeuwigheid
207