Prometheus

Titel
Prometheus

Jaar
1919

Druk
1946

Overig
2ed 1946

Pagina's
624



tijden heen met onverbroken duidelijkheid laat gelden: het afwisselend behagen in den twijfel en in de stelligheid. De wijsgeer verfoeit den twijfel niet, maar beschouwt hem als zijn eenig richtsnoer, zijn eenig compas — we hebben dit in de Inleiding uitvoerig uiteengezet — de geloovige haat en vreest den twijfel als het grootste kwaad — zoozeer verschillen de temperamenten naar hun bestemmingen. Door middel van den twijfel komt in den wijsgeer de Eenheid tot zelfherkenning en zelfopheffing, door middel van de stelligheid verstart zich de Eenheid in den dogmatisch geloovige, om zich in die verstarring te behouden. Alle twijfel is onmaatschappelijk, alle dogmatisme is ,,maatschappelijk".

Die vurig begeerde stelligheid is niet steeds dezelfde stelligheid — zij wisselt juist met elk nieuw geslacht, is, maatschappelijk zijnde, de dogmatiseering van de door het voorafgegane individualistische mouvement geproduceerde gedachten — maar voor Pascal was er geen andere voorhanden stelligheid dan schriftuurlijke stelligheid.

Deze beleed zijn hart bij voorbaat. Doch zijn critische geest erkende ten volle de onbewijsbaarheid der mirakelen, de absurditeit der leerstukken — als dat van de Erfzonde. Dit deed hem lijden. Met scholastieke bewijsvoeringen als waarvan Erasmus ons zoo menig voorbeeld geeft 1), kon zijn geest zich niet vergenoegen — het ,,Soyons soumis" dat Bossuet's remedie tegen alle geestelijke kwalen is, was voor hem geenszins nog voldoende, zijn geloof kon hij niet missen en zijn rede kon hij niet haten en in zijn (voor ons begrip wel heel wanhopige) pogingen om schriftuurlijk geloof en ,,zuivere rede" te verzoenen, is hij de merkwaardigste overgangsfiguur die zich in het tijdbeeld denken laat.

204

1 j Als staaltje van deze soort bewijsvoering geven we dit van een bekend casuïst uit Erasmus' tijd:

Het mysterie der Drieëenheid vindt haar eenvoudige verklaring in het Latijnsche woord ,,Jesus" —׳, 't welk maar drie naamvallen heeft, namelijk de nominatief, de accusatief en de ablatief•—, eerste duidelijke symbool van de Drieëenheid. Dan is verder de slotletter in den eerstgenoemden naamval een s, in den tweeden een m, in den derden een u, hetwelk niet anders kan beteekenen dan Summus, Medius en Ultimus —׳, de eerste, de laatste en degene, die zich tusschen hen bevindt —׳, en wat kan daarmee anders bedoeld zijn dan Vader, Zoon en Geest!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.