en eenerlei; wijsheid, goedheid beduiden zielsgezondheid —) leven en zelfs heerschen zal. En terwijl elders Socrates door het orakel de wijste wordt geheeten, omdat ,,hij alleen weet, dat hij niets waard is in de wijsheid"; terwijl dus, en zeer terecht, als criterium der betrekkelijke volmaaktheid, het diep besef van eigen onvolmaaktheid geldt, zal in dien gedroomden idealen Staat het ,,lagere gedeelte" — de derde stand, overeenkomend met de derde, laagste sfeer der ziel, die der begeerten — zich vrijwillig onderwerpen aan de beide hoogere standen, namelijk die der Wachters (verdedigers) en die der Wijzen (heerschers) overeenkomstig aan de ,,driftige" en „denkende" zielsgedeelten. Alsof niet juist altijd en overal de lageren, de laagsten zich tot elk ding in staat en bekwaam achten en elke waardigheid beschouwen als het hun rechtens toekomende! Niets is immers den kleinen man te grootl Alsof ook niet juist dat zeldzame vermogen zich vrijwillig te onderwerpen — niet uit onverschilligheid of winstbejag, maar uit inzicht — iemand boven den lagen staat verheft en onmiddellijk het volste recht geeft tot medezeggen, medewaken en medeheerschenl En dan verder — wat wordt hier al niet verwacht van de opvoeding door denzelfden mensch die zoo goed wist, dat „de meester wekt, maar niet leert," en die zijn geloof in het vooraf-bestaan en voortbestaan der ziel grondt op de potentieele aanwezigheid bij de geboorte van alle krachten en alle gedachten in den geest, gelijk dat wordt toegelicht in den „Menon", waar Sokrates een jongen slaaf alleen door het verstandig en methodisch stellen van vragen tot het begrijpen van bepaalde mathematische stellingen brengt.
Zoo zouden we kunnen doorgaan, maar voor ons vormen Plato's waarachtig idealisme en Plato's „realistisch" levensbesef tezamen weer het beeld van den Vader en den Zoon, van Wijsheid en Goedheid, die zijn Eén en toch onderling verscheiden — die zich in de tot ontplooiing gekomen mensch naast elkander en met elkander openbaren en in hun onder linge tweespalt een tragedie kunnen zijn: de tragedie van Sokrates. We komen op dit laatste terug.
En deze „tegenstrijdigheid" is dus niet een gevolg van Plato's bijzonder persoonlijkheid, maar van zijn wezen, van het individualistisch Wezen, dat in alle tijden zichzelf gelijk blijft.
189