drogenen, leeft dan één wakkere geest, die niemands dupe is, ook niet, neen vooral niet zijn eigen dupe, en die in het besef van zijn superioriteit rustig zijn voordeel doet met de botte goedgeloovigheid van de onderworpen massa.
Dit is de typische, de natuurlijke held van de vroege Renaissance: Tijl Uilenspiegel, de triomf en de glorie van het sluwe overleg, en in zijn naar onze smaak misschien weinig verheven levensbeschouwing vertegenwoordigt hij een belangrijk element van het Renaissance-individualisme, het verlangen zich vóór alles te laten gelden, en in een wereld waar men of hamer of aambeeld wezen moet, in geen geval aambeeld te zijn, voorloopig zonder eenige verdere zedelijke bekommering, in een glorieus gevoel van nieuwverworven vrijheid en pas-bevochten durf.
Zoo beschouwd en met de Middeleeuwen als achtergrond krijgt dan vooral Uilenspiegels avontuur bij den landgraaf van Hessen een ruime en algemeene, zeer eigenaardige beteekenis. Uilenspiegel geeft zich daar naar men weet voor kunstschilder uit en zal de gansche grafelijke familie van haren oorsprong af met al haar wederwaardigheden op het doek brengen tegen een goede belooning in gouden dukaten. Hij neemt dit aan, vooraf verklarend, dat slechts zij, die van wettige geboorte zijn, het kunstwerk zullen kunnen zien. Voor de anderen zal het schijnen als was er niets dan het grauwe doek. Onnoodig te zeggen dat Uilenspiegel en zijn kornuiten de dukaten verbrassen en in de zaal waar 't werk te geschieden heet, een vroo-lijk leventje leiden — tot de dag daar is en de landgraaf het kunstwerk in oogenschouw wil nemen.
Daar staat hij dan en ziet slechts het naakte doek en wil het niet weten en wrokt tegen zijn moeder, die dus blijkbaar׳ indertijd zijn vader bedroog — en de landgravin en het geheele hof — niemand ziet iets dan het ledige doek en niemand durft het zeggen, en de een geeft over het kunstwerk dat er niet is, al geleerder ,,kunst-historische" opmerkingen ten beste dan de ander — hoeveel theologen-geleerdheid en theologen-bevoegdheid is er niet besteed aan buitengemeen-diepzinnige teksten, die tenslotte bleken op vertaalfouten en begripstekorten berustende onzin te zijn] — totdat een hofnar (in het verhaaltje zelfs maar een ,,narrin"]) verklaart dat er geen schilderij te bekennen en
175