bestemming en dus eenerlei bouw hebben — de Renaissance en de achttiende eeuw hebben het ware denken voortgebracht; door de eerste periode is het opgezet, in de tweede vond het zijn bekroning in den eersten volslagen vrij-denker Kant; de Renaissance en de achttiende eeuw hebben respectievelijk Shakespeare en Goethe opgeleverd — in de perfect-georgani-seerde maatschappij, waar alles een dienend en dienstbaar karakter draagt, bloeit de filosofie niet en de filosofische kunst niet, noch in een daarmee in overeenstemming verkeerende Kerk — waarmee we niet willen ontkennen dat er honderden brillant-knappe en geleerde Jezuïten zijn geweest, wonderen van casuïstische scherpzinnigheid, blijven we maar alleen bij Bossuet — maar geen Erasmus, geen wijsheid en geen humor — en zoolang Duitschland ,,perfect georganiseerd" blijft en elke Duitscher trotsch op zijn land en op zijn eigen Duitscher-schap, zal er geen Goethe meer in Duitschland opstaan. Het denken is opheffend en de kunst is opheffend en wat opheffend is, is redelijk en wat redelijk is, is onmaatschappelijk. Duidelijker dan duidelijk blijkt dit nu uit de redelooze uitingen in alle oorlogvoerende landen — die toch alléén gradueel, niet in wezen verschillen van wat staten en organisaties in vredestijd doen en denken, bij monde en bij verstande van hun beóte leden en burgers 1
Er ligt een gevoel van onzegbare bevrijding in het besef, dat dit alles redelijk is en dat het dus goed is, voor hem die het tevoren met verbijstering en benauwde verbazing gadesloeg. De grenzelooze stupiditeit van hooggeleerden, hoogontwikkeldgn, hoogbevoegden en hooggestemden, — waarvan zeker wel een der sterkste bewijzen is, dat men zich in het openbaar ,,conservatief" kan noemen, zonder als een krankzinnige te worden beschouwd — de onpeilbare, zedelijke stompzinnigheid van braven en fatsoenlijken, hun volslagen ontoegankelijkheid en onverschilligheid voor de eenvoudigste redeneering, het totaal ontbreken van zelfonderscheiding of de behoefte daaraan, ja, van elk werkelijk onderscheidingsvermogen in het algemeen, het onsamenhangende, hopeloos-verwarde, onverantwoorde, inconsequente, in de uitingen van hen, die we als geleerden en wetenschappelijken hebben leeren eeren, hun redelooze aan
85