mooier relaties, meer succes in de maatschappij. Daar ze geen eigen bestaan leiden, is ,,de familie" hun verschijningsvorm — ze kondigen zich met trots als ,,een Forsyte" aan — om diezelfde reden is elke Forsyte, van welke nationaliteit ook, naar buiten een geweldig patriot — en juist als in de familie, zit hij daarbij vol schamperheid en critiek op zijn geboorteland, terwijl evenmin een sterk natuurgevoel hem aan het vaderlandsche landschap bindt — want echt natuurgevoel behoort tot het pantheïstisch-individualistische complex — de Forsyte nu van elke nationaliteit is geen pantheïst — dien hij met afgrijzen Godloochenaar heet — maar gaat getrouw ter kerk.
Zoo zien we dan den egocentrischen mensch niet noodzakelijkerwijs egoïst, ook wel ,,idealist" doch dan in dienst van zijn eigen brandkast, stervend voor zijn eigen ijdelheid — niet zonder gezond verstand, zelfs buitengemeen geleerd en scherpzinnig — zooals de Middeleeuwsche scholastiek en de zeventiende-eeuwsche theologie ons duidelijk bewijzen — maar innerlijk-onvrij door zijn bestemming, die een stellende, een ,,opbouwende" is, door zijn behoefte, in verband daarmee op stelligheid gericht, en dus redeloos, daar de rede alle stelligheid rooft en niet bouwt, maar ontbindt; bekrompen, daar ,,onbekrompen" beteekent: onbegrensd, naar alle kanten vervloeiend, zelf-opheffend; wel geleerd, maar niet wijs. Want de wijsheid zoekt en vindt de Eenheid en in den egocentrische vliedt juist de Eenheid zichzelf. Hoe scherpzinnig van nature de egocentrische zij, zijn intellect staat altijd, om met Schopenhauer te spreken, onder de beheersching van ,,Den Wil", den zelfbehoudswil, stellens-wil, der Eenheid, die de intelligentie van haar eigen doel, de opheffing, vervreemdt.
Daar waar de Eenheid in volkomen vergetelheid van zichzelf verkeert — in de perfect-georganiseerde, de bloeiende collectiviteit — kan het wijsgeerig denken niet ontstaan. De intelligentie wordt daar weerstreefd door de innerlijke gebondenheid der persoonlijkheden en is veroordeeld een oogmerk buiten haar eigen oogmerk om, vijandig daaraan, te dienen. De historie wijst dit uit.
Detweegroote anti-maatschappelijke perioden, die weeerder noemden en die tot in bijzonderheden hun treffende verwantschap vertoonen — wat geen wonder is, omdat ze eenerlei
84