matiging, karakterloos opportunisme en onwrikbare zelfverzekerdheid in een wereld wier historie een historie van dwalingen is - dit alles wordt begrijpelijk, wordt redelijk en dus ״goed" zoodra het fundamenteele onderscheid, de onoverkomelijke kloof tusschen het behoudende, redeloos-dogmatische en het opheffende, redelijk-dialectische temperament zich met beider fundamenteele noodwendigheid aan ons heeft geopenbaard. Dan vinden we vrede met, ja, vreugde in het aanschouwen van wat ons vroeger ergerde en benauwde — nog wel ergert en benauwt, in de oogenblikken dat we eigen behoefte aan klare waarachtigheid als een vervulbaarheid zien, dat wil zeggen in de vele oogenblikken dat we zelf dogmatisch en egocentrisch zijn.
Aldus beschouwt de egocentrische mensch zichzelf als het middelpunt van alle dingen, maar zonder het te weten, geheel en al onbewust. En terwijl hij het woord van Heraklitus, het woord van de Renaissance, van Pico della Mirandole, van den bewusten individualist ,,De mensch is de maatstaf van alle dingen" van zich afwijst als „hoovaardig", „klein", mogelijk wel „cynisch" — immers wanend zijn daden bestuurd door „beginselen", zijn weten steunend op „stelligheid", en zijn persoonlijke bevindingen aanziende voor argumenten „stelsels" van algemeene geldigheid — is het ware, maar ongeweten motto van zijn leven: ,,Ik ben de maatstaf van alle dingen". Eenmaal als haar onwrikbaar middelpunt zich gesteld hebbende, neemt hij van de wereld en haar verschijnselen dat weinige op, 't welk zijn beperkt wezen beroert, het verkleinend naar eigen afmetingen, het versnijdend op eigen maat, zóó dient hem alles dat hij ziet, tot steun en argument van wat hij is en wil, zijn critiekloosheid speurt het misleidende niet, zijn eerlijke redeloosheid is zijn kracht, zijn oprechtheid zijn rechtvaardig-ging en in zijn volstrekte Noodzakelijkheid ligt de redelijkheid van het redelooze, dat niettemin op zichzelf redeloos is en blijft.
Wie dus over krijgshelden en maatschappelijke steunpilaren spreekt, zingt in vollen ernst den Lof der Zotheid. Van de geleerde, de kloeke, de vernuftige, de vindingrijke, de dappere, de scherpzinnige, de energieke Zotheid, maar altijd van de Zotheid. Doch geloofd zij die Zotheid, welke als wachter
86