ernstig en oprecht moet hij onder zijn eigen-wijsheid de eindstreep kunnen zetten!
Anders is het uit met hem en met de maatschappij, die hij schraagt, wier steunpilaar hij is. Dat is de reden, waarom op een bepaald tijdstip revoluties slagen, dat de machthebbende partij geen geloof in eigen recht, in eigen superioriteit meer heeft, geen oprechte verontwaardiging meer produceert, en nog maar alleen opkomt voor haar op het spel staande belangen. W^ant een deel van het menschelijk wezen, het krachtigste, het idealistische, werkt dan niet mede, doch heimelijk zelfs tegen, zoo het zich al niet openlijk laat gelden — waar dan bij de opkomende partij belang en rechtsbesef in één richting samen werken — zooals dat tot nu toe bij de tot nu toe machthebbende partij was, daar wint deze eerste het stellig.
Wie de Fransche aristocraten zag lachen en applaudiseeren bij Beaumarchais' ,,Mariage de Figaro", waarvan elk woord een slag in hun eigen aangezicht was, die had kunnen voorspellen dat de Revolutie komen en gelukken zou. In de zeventiende eeuw zou geen schrijver zoo iets hebben geschreven en geen edelman zou het hebben willen zien. Toch wijst het vermogen, om bij critiek op eigen dwaasheid mede te lachen, eigen betrekkelijkheid te zien, op geestelijken vooruitgang, maar deze geestelijke vooruitgang — zelf-critiek, dat is: zelf-onderscheidings-vermogen — beteekent ontbinding, verval als organisatie, als maatschappij.
Redeloosheid en onverdraagzaamheid immers zijn de meest bruikbare maatschappelijke kwaliteiten — en deze zijn alleen mogelijk bij een onmatig en ongegrond zelfvertrouwen, en dit alleen door volslagen gemis aan zelfonderscheiding. Vandaar dat de meest in het oog springende eigenschap dier ,,maatschappelijke steunpilaren" en de met hen mede-gevoelenden, hun bewonderaars en huldigers, een matelooze en ongegronde zelfoverschatting is. Alle zelf-critiek missend, daarbij gewend hun belangen met hun beginselen te zien samenvallen, zonder dat hun dit ook maar het geringste wantrouwen omtrent de zuiverheid dier beginselen inboezemt, neemt ten slotte elk ding in hen den vorm van een ,,beginsel" aan. Tot de erkenning van menschelijke tekorten, anders dan in het zéér vage en al-gemeene — dat is ononderscheidene en onbegrepene — kan de
81