wezen niet meewerkt, maar tegenwerkt en hij bijvoorbeeld zijn eigendom, ook al ziet hij het liever niet ontstelen, volstrekt niet voor ,,heilig" houdt. De soldaat gaat uit om te leven, en om nog veel meer dan dat, de martelaar om te sterven; des eersten dood is een ongelukkig toeval, des laatsten dood de logische consequentie van zijn leven en streven. Hij zou nimmer een goed soldaat kunnen zijn, want hij weet als redelijk wezen wat patriotisme waard is, hij weet, dat zelfs in godsdienstoorlogen en vrijheidsoorlogen het beginsel-zelf noodzakelijkerwijs ondergaat door den strijd, die van de twee kampen twee ,,organisaties" maakt, maatschappijen, waarin voor eenig levend ,,beginsel" dan toch geen plaats meer is. Daarom is dan ook collectieve vrijheid niet de vrijheid, die hij begeert en collectief geloof niet het geloof, waarvoor hij wenscht te sterven — waar beide altijd en onmiddellijk aan machtsvragen vastgeknoopt en daarmee vertroebeld worden. Patriotisme is de hoogste deugd van den maatschappelijke, den egocentrische, wortelend in gemis aan onderscheidingsvermogen — martelaarschap van den individualist, onmaatschappelijk, zuiver-onder-scheidend. De een is redeloos, de ander redelijk. In hun hoogste oprechte uitingen is hun zedelijke waarde echter volkomen gelijk.
De egocentrische mensch moet niet alleen de wetten en instellingen waaronder hij leeft voor de bij uitstek goede houden, hij moet er ook bepaald van overtuigd wezen, dat ze voor de eeuwigheid zijn bestemd — daartoe is het noodig, dat hij van elk historisch inzicht, van elk redelijk inzicht verstoken blijve, en zich er nimmer rekenschap van geve, dat het ,,Niets is bestendig dan alleen de onbestendigheid", 't welk hij van nature slechts ziet als een schuldeloos schrijfvoorbeeld voor de jeugd, ook van zijn dierbaarste beginselen en instituten geldt. Integendeel — hij moet, hier als in alles, zichzelf de uitzondering op alle regels wanen; hoe zou hij zich anders ernstig boos kunnen maken op den man, die zijn instellingen aantast, tegelijk den moed der hervormers — uit vroeger eeuwen, goed en wel dood! — in verheven woorden prijzend, het voorgeslacht ,,dompers" noemend, omdat ze niet zoo ver gingen als hij, en ,,heethoofden" hen die verder zouden willen gaan? Ernstig en oprecht moet zijn verontwaardiging tegen de sloopers van het heden, ernstig en oprecht zijn bewondering voor de sloopers van vroeger zijn,
80