in hunne witte doods-gewaden, den gordel om 't lijf, bleek van vasten en loom gaande naar de plaatsen van heiligen plicht op geruischlooze viltschoenen, dan bonsde zwaar van ontroering zijn hart en had hij moeite om z'n tranen te bedwingen.
Maar naarmate hij ouder werd, scherper en rijper zijn critisch vermogen, zag hij duidelijker de verveling op de bleeke gezichten, merkte hij boven in de vrouwen-sjoel het smoezelen en verstolen lachen, zag hij verborgen geeuwen, onverschillig rondkijken, slaperigheid en sleur.
En de blijde ontroering, de wijdingvolle tranen kwamen niet langer om de dingen zooals ze waren, maar zooals in zijn eigen binnenste de jongen ze nog altijd voelen wilde en voelen bleef.
XIX
Voor 't stationsgebouw liepen ze op en neer, Daniël en z'n zusje. De trein zou dadelijk komen en uit zuinigheid hadden ze geen perronkaartjes genomen. Roosje keek voortdurend den weg af. Ze was bijzonder in haar humeur om het mooie herfstweer en om het feest in aantocht en omdat Jozef zou komen, en ze neuriede zacht in zich zelf een liedje, dat ze pas op school had geleerd.
Uit de verte floot de naderende trein, een schril en langgerekt geluid, en een korte stoot erachter, en daarop was ook al spoedig het gedender over de rails hoorbaar, aanzwellend in 't naderen, totdat de trein met een vaart 't station binnen stoof en daar onder kreunen en krakken tot stilstaan kwam.
Een voor een kwamen de schaarsche reizigers uit de eenige deur van het smal-hooge gebouwtje het goud-zonnige voorpleintje oploopen. Een juffrouw met een koffertje eerst, daarachter een soldaat, en
98