dan Jozef. Snel trad hij naar buiten, rondspiedend met lachend gezicht of niemand wachtte. Hij zag niet zou gauw de kinderen en de lach trok al weg van z'n gezicht, maar daar kwam Roosje op hem toe en trok
hem bij den arm. ״Dag Joos! Joos.....wat ben je
mooi, zeg!"
De jongen lachte weer en zag nu ook Daniël. Z'n goedig gezicht straalde om de vreugde van het weerzien, en hij had dadelijk heel veel dingen te vragen, van thuis en van moeders gezondheid, met een groote-man-achtige intonatie van z'n jongensstem-in-vorming.
Daniël merkte z'n Joodsch accentje, dat hij thuis niet had gehad.
Voor de Rousj-Hasjono en voor z'n eerste thuiskomen had hij zich bijzonder mooi gemaakt, en onder het gedrieën huiswaarts gaan slaakte Roosje voortdurend bewonderende uitroepen om z'n zwierig stroo-hoedje met tweekleurig lint, z'n hoog dubbelboord waar een smal paars dasje, heerachtig geknoopt, onderuit kwam, z'n blinkend-witte manchetten, pronke- • rig-breed uit de mouwen van het nieuwe grijs-groene confectie-pakje. Maar 't mooist van al waren Jozefs gele schoenen en de platgetopte nieuwe handschoenen, die zwierig uit z'n jaszak staken. Hij was een meneer geworden, Jozef, Daan vond het óók, even benijdend z'n broers eigen-baas-wezen, meer dan de mooie kleeren, waar hij niet om gaf. Maar al waren Jozefs manieren die van een man, een menéér, die geld verdient, z'n gezicht was even goedhartig en z'n lach was even gul gebleven.
Roosje droeg de nieuwe bruine reistasch, waarin voor ieder een verrassing zat.
En op het buurtje, dat warm en knus lag gedoken met de lage huisjes in gouden schijn van late herfstzon, waar de asters veelkleurig praalden in de tuintjes, met de hoog gegroeide gouden zonnebloemen en
99