had haar in den beginne enkel bevreemd, later met een soort wrange teleurstelling vervuld. Ze was veel zachter en veel kinderlijker dan Esther, minder belust naar uiterlijken praal en aanzien, haar mooie kleeren dragend met onverschilligheid en haast onbewust, omdat ze altijd mooie kleeren had gedragen, kostbaar speelgoed had gehad, een mooi huis en veel lekkers zoolang haar heugde.
Ze hield eigenlijk niet zoo heel veel van de vroegwijze Esther, die altijd spotte en smaalde en van iedereen kwaad wist en kwaad zei. En Esther vond in haar hart Lizzie een kinderachtig, flauw wicht, wier eenige aantrekkelijkheid haar rijkdom was. 't Laatste jaar kwam ze er bijna dagelijks aan huis, langzaam-aan minder voor het dochtertje dan voor de moeder, die een bitter genot vond in haar raak-venijnigc opmerkingen over de deftige dames en meisjes. Ook had ze het streelende gevoel van openlijk te tarten dat deftige kringetje, als ze het schamele Jodenmeisje protegeerde voor wie ze, als voor haar, den neus optrokken. Ze gaf Esther overvloed van jurken en mantels, die Lizzie niet meer droeg, en ook wel heelemaal nieuwe en ze vond er, naarmate ze meer eenzame uren te vullen had, meer genoegen in, het kind te kleeden en op te pronken, voldoening smakend door Esthers dankbaarheid en vreugde om de mooie dingen, die ze dragen mocht. Lizzie was zooveel eenvoudiger, naar haar moeders smaak wat al te eenvoudig van aard. En alles stond het ״Jodinnetje" aardig. Elsa had zich wel gewacht, het meisje haar eigen Joodsche afkomst van moederszij te vertellen, bij intuïtie begrijpend, dat dit haar prestige in de oogen van het kind schaden zou; de dankbare vereering streelde haar, ze wilde blijven de rijke „Chris-ten"-dame, die zich in neerbuigende goedheid wil ontfermen over het armelijke Jodenkind.
En Esther nam grif-weg alles aan wat ze kreeg,
88