stig ziek geweest en nog maar amper genezen. Jozef nam haar nog steeds heel wat werk uit de hand en hij voelde dat z'n moeder hem erger missen zou, dan ze nu inzag of bekennen wilde. Maar de moeder, ineens opgewekt en schijnbaar heelemaal hersteld uit den zwaktetoestand, die haar maanden lang loom en slecht ter been had gehouden, wou niets van bezwaren hooren; tot laat 's avonds zat ze Jozefs uitzetje te beredderen. De jongen zou in een net Jiddisch kosthuis komen en moest er van boven en van onderen knap uitzien.
Esther was hevig ontevreden om Jozefs vertrek. Jaren lang had ze het als iets heel natuurlijks aanvaard, dat niet zij maar Jozef hun moeder hielp in het huishouden. Nu zou dat veranderen, begreep ze.
Ze was veertien jaar; ze zat voor het tweede jaar in de hoogste klas op school, ze zou nu eraf gaan en bij moeder thuis komen.
Ze was voordeelig opgegroeid tot een mooi meisje, lang en ietwat te mager, maar met een pracht van donkerbruin haar, waaraan ze haar voortdurende zorg besteedde, en een matbruine gelaatstint, zacht overdonsd langs kin en kaak, en met teere rose blosjes. Haar frissche mond, wel iets te groot, wist reeds inpalmend, schijnschuchter te glimlachen en haar oogen, van een troebel grijsbruin, konden vleierig open koud-verachtend neerkijken.
Ze kwam nu al een jaar lang geregeld bij de Nau-mann's aan huis als vriendin van Lizzie.
Het gemeenschappelijk gevoel van versmaad-zijn door de overigen, bij Esther van de jeugd af scherp-bewust, bij Lizzie langzaam-aan ontwakend, had ze samengebracht en samengehouden. Esthers vroeg-rijp oordeel, gespitst op alles wat verband hield met aanzien en stand, had al héél gauw het ware van Lizzies toestand doorgrond, nog voordat het kind zelf er iets van wist. Dat ze nergens en bij niemand in tel was,
87