ze haar thuis niet zouden missen, antwoordde ze ontkennend, hoewel ze wist, dat ze nu al veel te laat was en zeker heel erg beknord zou worden.
Pas tegen zes uur ging ze naar huis, nagenietend nog van de oranje-geur der limonda, die ze had gedronken uit een fijn kristallen glas. Ze voelde zich dronken van weelde: morgen mocht ze terugkomen en spelen met Lizzie, als het mooi weer was in den tuin en anders in de waranda. Ze hoopte daarop en dat haar dan iemand zou zien. Snel stapte ze naar huis, tusschen de lage huisjes van het buurtje, waar onder de oude lommerboomen op stoelen en stoven de menschen en de kinderen buiten zaten. Ze keek links noch rechts, niemand groetend, en het ,,grooze Jodin," dat Lijsje de Vries haar toeriep, die naast haar moeder op den drempel van hun groentezaakje aan een grove zwarte kous zat te breien, beantwoordde ze met een stillen, smadelijken glimlach.
XVII
Toen Jozef zestien jaar was, werd hij magazijnbediende bij den ouden heer Spijer, die een groote zaak had in de Amsterdamsche Jodenbuurt. Van heen-en-weer reizen zou geen sprake kunnen zijn, had de patroon gezegd: hij betaalde zijn menschen behoorlijk, maar vroeg dan ook vollemans werk. Hij zou Jozef, hoewel hij pas begon en alleen voor maga-zijnwerk te gebruiken was, een weekloon van tien gulden geven, want de jongen beviel hem en hij was de kleinzoon en naamgenoot van ouden Jozef Lehren, met wien hij jarenlang in goede vriendschap zaken had gedaan.
Zoo zou Jozef dan heelemaal buitenshuis trekken; het was een groote — maar niet onverdeeld-blijde gebeurtenis. Want dien winter was de moeder ern
86