Esther voelde zich gloeiend blozen, ze hield haar blik stijf gericht op die twee, de moeder en het dochtertje, beiden in lichtblauw gekleed, hunkerend, dat het kind haar opmerken zou en dat ze zou kunnen groeten. Ze kreeg even een schokje, het meisje kéék en zag haar staan aan het hek. Esther groette met een nog hooger kleur en het kind groette terug. En, o vreugde, de moeder had haar óók gezien, ze bukte zich naar haar dochtertje en vroeg haar iets. Strak keek Esther nu voor zich uit, duizelig van vreugde, omdat de rijke dame en het rijke kind haar hadden opgemerkt, en wie weet.... wie weet.... Haar hart bonsde, krampig omklemden haar vingers de spijlen. ... ze durfde niet langer naar hen kijken.
Daar kwamen ze, de dame en het meisje, tot vóór het hek en de dame, met vriendelijken glimlach, wenkte haar binnen.
't Was Esther, of ze een paradijs betrad, toen ze op 't witte grintpad stond in den tuin, waaruit haar de geur van reseda en heliotroop, zwaar van vocht, tegemoet sloeg. Ze rook den kruidigen rozengeur vlak boven haar hoofd, 't water van de fontein bespette koel haar gloeiende wangen. Haar mond half open in verrukte bewondering, vond ze niets te zeggen. Maar met haar vriendelijken glimlach nam haar de dame — uit wier kleeren fijne geur wasemde — bij de hand en mee in de waranda. Ze liet zich, vaag duizelig om zooveel ongedacht geluk, stilletjes medetroonen en in een stoeltje zetten.
Maar terwijl een nuffig dienstmeisje thee bracht — ook voor haar — en mevrouw heerlijke koekjes presenteerde — ook aan haar — voelde ze zich reeds aan den nieuwen toestand gewennen. Uit de waranda keek ze het hek uit, hevig hopend, dat een kind van de buurt haar zou zien zitten, en met een lief stemmetje, dat ze héél bescheiden intoomde, beantwoordde ze mevrouws vriendelijke vragen. Op de vraag of
85