het kalm-deftige leven in de zomersche Parkstraat, waar de statige beuken nu zwaar stonden in 't blad. Langzaam aan begon ze de menschen die naast en over haar woonden te haten, de heele dorpschdeftige coterie, die haar buiten gesloten hield, omdat haar leven niet even gladjes en gemakkelijk was verloopen als het hunne.
Ze waren van de weinigen die een eigen rijtuigje hielden, een fraai coupeetje op gummi-banden. Daarmee reed ze 's middags door 't stadje met haar dochtertje, of ze liet er Lizzie met de gouvernante in uitgaan. En al streelde haar wel 't eerbiedig bekijken der burgerlieden, nog meer hinderde haar de laatdunkende onverschilligheid der deftige dames, van wie er geen enkele ooit zich omwendde, om haar en haar coupeetje na te oogen.
Zij echter, van haar rijtuigje uit, loerde afgunstig op naapen belust, huizen en tuinen binnen en trachtte iedereen te overbluffen, in weelde en rijkdom ieders bezit te overtreffen. Van 't vroege voorjaar af praalden dure gekweekte bloemen in haar perken, weelde van zwaarroode rozen ombloeide de houten stijlen der waranda, vooraan in den tuin had ze een springfontein laten aanbrengen, die fijne glinsterende straaltjes sprenkelde over het wèl-onderhouden gras en de kleurige perken. Soms stonden er menschen voor het hek en keken in gretige benijding, keken haar ramen binnen, waarvoor ze zat te paradeeren, opgedirkt in kleurige zij, het gezicht in strakke, hautaine plooi getrokken, en veinzend te lezen, maar loerend over haar boek, of niet anderen, beteren: in haar oog dan het burgervolkje, kwamen bewonderen de pracht van haar tuin, haar priëelen en rozenbegroeide waranda.
Esther stond er dagelijks. Ze kon er niet vandaan. Jaloersch spiedde ze tusschen de spijlen van het pronkerige ijzeren hek naar de frissche pracht daarbinnen;
83