omdat ze weer zoo laat was, en vader grauwde, dat ze recht-door uit school thuis moest komen voortaan.
Roosje zat met behuilde oogen bij de tafel. Tonia Fokker had haar weggejaagd en daarna had vader haar geslagen, omdat ze zich had ingedrongen bij de gojsche kinderen. Jozef was nog niet aan tafel, moeder had zijn bord eten toegedekt; er waren drie veeleischende klanten in den winkel, het grommerige geluid van hun grove stemmen drong tot in de achterkamer en vader liet nu en dan z'n vork zinken, en luisterde met aandacht, of zijn tüsschenkomst ook noodig was.
Ze aten wortelen, en 'n mager brokje koud vleesch, waarvan de laatste sjabbessoep was gekookt en dat daarna als altijd nog drie dagen mee moest.
Buiten regende het, triestig ruischte het neer in de sloot. Esther at met zwijgenden tegenzin. Als ze rijk was, zou ze nooit meer wortelen en koud gekookt vleesch eten, nooit meer in een kleine, bedompte kamer, aan een armelijk gedekte tafel zitten. Ze at vlug af, om weg te komen, weer naar het mooie huis toe. Voor vader mocht ze niet van tafel eer iedereen klaar was, maar vader was naar den winkel gegaan, om Jozef af te lossen, die nu aan tafel zat en haastig z'n bord leeg at. Moeder knikte hem eens toe.
״Smaakt het?"
״Lekker," zei de jongen, tevreden. Hij was best in z'n schik met het leven van tegenwoordig. Den hee-len dag overhuis, scharrelen in den kleinen, knussen winkel, prijsjes knutselen, eens een stil ochtendje verdoen aan 't veranderen van de etalage. Met de klanten kon hij best worden, vader was tevreden, ze hadden veel meer loop, sinds hij achter de toonbank stond. Er waren dagen, marktdagen, dat het belletje niet stil stond. Een best zaakje werd het hunne. leder-maal als ze naar Amsterdam waren geweest, stalden ze nieuwigheden uit, dingen, die ze daar voor een
78