barstte in tranen uit. ״Denk aan Seider-avond." En zij had niet aan Seider-avond gedacht. Zij had vader op dezen avond heel alleen gelaten....
״Rudi.... Rudi.... ik moet naar huis."
Haar stem versmoorde in toomeloos snikken.
״Niet zóó. Eerst vertellen, alles eerst vertellen."
Het was gauw verteld. Rudi had nooit gehoord wat Seider-avond was. En even, temidden van haar angst en verdriet, voelde Roosje verbazing. Nooit had ze kunnen denken, dat ze een man zou liefhebben, die den Seider zelfs niet kende van naam en hooren-zeg-gen. En nu.... nu.... wat raakte haar dat.... wat beteekende dat alles nog langer voor haar?
Er was geen Seider meer, er was geen Geloof meer. Levenloos lag het neer naast de levende liefde.
Alleen vader.... arme, oude, goede vader. Lieve vader van lang-geleden.... dien had ze op zijn heiligsten avond alleen gelaten, zij, het eenig gebleven kind van hem.
״Rudi. .. . Rudi, ik moet gaan, ik moet weg."
״Ik ga met je.... nu, dadelijk. We zullen samen met je vader praten."
In den killen regenavond gingen ze zwijgend, snel, innig-gearmd, naar het oude huisje op het buurtje toe.
LVII
Zwaar was het den ouden man gevallen, het klaarzetten van de Seider-dingen, het gereedmaken van de tafel naar regel en voorschrift. Kreunend, moeilijk zich voortbewegend was hij gegaan van muurkast naar tafel en zijn dorre, bevende vingers hadden eerst het witte servet in drie plooien gevouwen en er daarna de drie brosse matses tusschengevouwen, die de drie standen van het Oude Volk symboliseer en: de Priester bovenaan, op hem volgend de Levietische
'343