tempeldienaar en daar dan weer onder de gemeene man. Zóó stond het gansche Volk als sterke stut onder den ronden schotel, die in symbolische zaken het verhaal van Uittocht en Verlossing droeg, de onvergankelijke hoop voor den Joodschen banneling, en de zoete vertroosting voor den bedrukte. Het was bitter en zoet, overvloed en ontbering, verleden en toekomst, ballingschap en bevrijding, op één schotel bijeen.
De oude man, die jaren lang het feest der bannelingen had gevierd, het feest, dat van alle feesten rijkst is aan wijding en diepst aan zin, hij dacht er niet aan, terwijl hij met z'n onhandige vingers het blad ordende, dat wankelig stond boven de drie stuttende paaschbrooden. Hij dacht nergens aan. Z'n hoofd was volslagen leeg, z'n handen verrichtten denkeloos hun van jaren-lang gewenden plicht. Hij dacht al niet meer aan Roosje.
Roosje was weg. Het scheen wel, hij was er al in gelaten, het wende alreeds.... de anderen ook waren immers heengegaan en niet teruggekeerd, waarom zou zij dan zijn gebleven? Het bewustzijn dat ze nu weg was, en niet weer keeren zou, zonk smarteloos in hem neer, hij was te moe en te oud om smart te gevoelen, te verslagen en te murw om te toornen, hij kon alleen nog den Seider klaarzetten en zichzelf verhalen van den Uittocht uit het oude, vergeelde prentenboekje, dat zijn vader had toebehoord.
In de stille, verlaten kamer — en het éénige gerucht kwam van wind-en-regen buiten — onder de vredige lamp, zette hij zich bij de tafel.
En in eenzaamheid maakte hij zich op ter viering van het uitnemendste Joodsche familiefeest. De beladen schotel — waarop radijs groen-rood-wit kleurde en lichter de latuw en knoestig lag de lange, grauwe bitterwortel en daarnaast weer het beentje, met het asch-besmeurde ei — de schotel, dien het gansche gezin opheft, toonend elkaar bitter en zoet, vreugde
'344