״Doe het.... doe het, m'n kleintje.... doe het om
•• 99
mij----
Z'n lippen raakten baar mond even.
In Roosje was nu geen strijd en geen twijfel meer. Ze vond, hoe ze zocht, niet de minste reden tot weerstreven. Diep in haar brandde de schaamte, omdat ze geen wil tot verzet voelde, omdat het haar zoo natuurlijk leek, dat ze bij Rudi zou blijven en slapen in zijn armen, en ze wanhoopte aan zichzelf, wilde zichzelf slecht en onzedelijk vinden, zich vastklampen aan die woorden die ze kende, maar ze voelde, dat ze hun zin kwijt waren en dat ze er niet den minsten steun meer aan had.
En dan dacht ze aan vader, aan zijn kommer, aan zijn eenzaamheid en dat ze hem niet onder de oogen zou durven komen, morgen, met Rudi.... O, ze wist, dat ze het nooit zou durven.
Maar te blijven.... te blijven bij Rudi.... het was niet om ooit te durven bekennen.... maar voor Rudialleen zou het niet zijn.... als ze bleef....
Ze zaten sprakeloos, de handen ineen, sidderend geleund tegen elkaar aan....
Toen werd er op de deur geklopt....
״Vader," schokte het in Roosje. Ze had, in het korte moment tusschen den bevreemdenden, gewild-bescheiden klop, en Rudi's schorre „ja" het gevoel of ze gewurgd werd. Het was de juffrouw met Debora's brief.
„Voor U, meneer."
Rudi, met een ruk, scheurde open en las de weinige woorden. Even kroop wantrouwen in hem op; had 't meisje nu al gepraat? En wie was Debora? Werd er komedie met 'm gespeeld?
Hij reikte Roosje het ingesloten couvert.
„'k Begrijp er niets van____'t schijnt voor jou te
zijn----"
En Roosje las, liet 't papier op den grond vallen en
'342