verrassen, hij wachtte hem sinds jaren, en sinds maanden zag hij hem naderbijkomen. Nou toch, nou toch.. God, wat zweette hij. Angstzweet? Doodszweet? Nee, hij wilde nu niet. Eerst moest hij Seider vieren en Roosje zou komen en den boel klaarzetten. Naar Sjoel gaan? Hij kon niet. Z'n schoenen aantrekken, verwisselen van jas, niet mogelijk, niet mogelijk. Z'n heele leven was hij trouw ter Sjoel gegaan, nou kon hij niet meer. Hij wou niet als een hond bezwijken op straat en opgenomen worden door gojsche handen en als een kreng worden binnengedragen in zijn eigen huis.
Maar goed, maar goed, als zij niet kwam, hij zou toch Seider vieren. Z'n laatste krachten zou hij eraan besteden. Nog had hij niemand noodig.
Moeilijk rees hij overeind, ging naar 't raam en liet het gordijn neer, ging naar de tafel en stak met bevende vingers de lamp aan, die boven het glanzend-witte Jomtofkleed begon te stralen.
LVI
Roosje dacht wel aan vader — een weggedrongen angst-gedachte, die toch niet heelemaal verdwijnt, en blijft, als een duistere schim achter licht en vreugdevol leven, als de vale achtergrond van een kleurig tooneel — maar de herinnering aan den Seider-avond kwam geen oogenblik in haar op. Ze was dien volslagen vergeten, omdat de voorbereidingen, de bezigheid ervoor geen enkel moment haar werkelijke aandacht hadden gehad. Plichtmatig had ze den vorigen avond de waren uit Amsterdam ontpakt, plichtmatig erbij gestaan, toen vader vanmorgen het brood verbrandde, plichtmatig zijn opdracht en vermaning aangehoord en uitgevoerd.
Vroeger waren dat, de dagen voor den Pésach, de heerlijkste van het jaar geweest, — was er in iedere
'338