dat er een ziel wachtte naar den laatsten troost. Kon-ie toch niet zelf uitgaan, om de menschen bijmekaar te halen voor zijn eigen Sjeimets! Ze zouden denken, dat-ie gek was geworden. Bijwijlen dacht-ie het zelf!
״Roos.... Roosje.... ben je hier?"
Nee, ze was er niet. Dan zou ze antwoorden. En wat had ze er ook uit te voeren? De vochte kilte, de bleeke schemer onder de lage grauwe binten stieten hem af; hij klom, moeilijk, terwijl z'n droge adem uit open mond hijgerig ontsnapte, langzaam weer af naar beneden. Misschien was ze daar nu. Niemand. De kamer schemerig, duister haast, 't witte kleed als een vale vlek onder de even glimmerende lamp.
Langzaam, gebogen slofte hij naar den winkel. Vreemd leeg en duister lag die achter het neergelaten raamgordijn, achter de gesloten deur. En weer terug naar de kamer, naar den rieten stoel achter de kachel. Daar zat hij weer neer, beverig, met hevig-hamerend hart, de magere handen saamgeklemd op z'n knieën, 't bovenlijf gebogen als in houding van waakzaamheid, alsof hij daar was gaan zitten, zonder te weten waarom en nu nog niet goed zat, of alweer op wou staan. En voortdurend luisterde hij.... luisterde hij.... Ieder geluid ving hij op met van klimmenden angst gescherpte ooren: een stap, die aankwam, en even hoop gaf, en weer voorbij ging, en dan verstierf. En tegelijk beluisterde hij zijn hart, het hijgerig ademen uit z'n borst, die pijn deed, o, be-angstende pijn deed. Ook z'n hart, ook z'n hart deed pijn. Als dit nu z'n laatste uur moest zijn en niemand. .. . niemand om Sjeimets voor hem te zeggen? Z'n knieën beefden, de saamgevouwen handen schokten omhoog en weer neer.
Was hij dan een Kaïn, een gevloekte, die eenzaam leven en eenzaam sterven moest? Ook z'n vrouw had geen Sjeimets gehad, haar had de dood verrast, voor iemand eraan dacht. Hem niet, hem zou de dood niet
De Verlatene 12
'337