vreemd, al die jaren, dat ze elkaar hadden gekend. De een was Rebbe Schloume geweest en de ander Samuel Lehren. Je kende mekaar, je kende mekaar niet. In z'n ziekte, op z'n sterfbed, dat z'n doodbed werd, was de Rebbe hem een vriend geworden en dien vriend was hij nu kwijt.
De ״metseiwe" was al gezet, de rechtstandige blauwe grafzerk. Hij was weer mee geweest, hoewel het guur was, hoewel hij haast niet voortkon. Wat gaf 't? Den dood zoeken mocht je niet, maar niemand kon verlangen dat je den dood tegenhouden zou.
Op voelde hij zich, doodop, moe van zijn vele zorgelijke jaren.
Vanavond was het Seider-avond. Alles was in huis, zelf had hij voor alles gezorgd. Niemand was te vertrouwen, 't heele jongere geslacht was boos of achteloos. Maar wat deden hem de leden pijn vandaag, wat viel hem 't loopen zwaar, 't Voorjaar was guur, kille dagen, regenluchten, bijkans geen zon te bekennen. 't Zat hem in de beenen. En ook z'n borst, die was allang niet zuiver meer, niet meer goed geworden sinds z'n laatste ziekte. Toch geen dokter, aan zijn lijf geen dokter meer. De dokter vroeg te veel. De dokter behandelde hem met aggenebbiesj.
Hij had geen medelijden noodig, van niemand. Zoo als het over hem was gekomen, zoo had hij 't zelf gewild. Daniël had hij weggestuurd: in zijn huis geen Gods-lasteraar; Esther had hij terug kunnen halen, indertijd, als hij had gewild. Hij had niet gewild, hij had sjiwwe gezeten om haar; in zijn huis geen „temije", geen onreine vrouw. Jozef kon nu ook wegblijven, in zijn huis geen Jood, die zijn kind onbesneden liet!
Wat had die dokter dan van aggenebbiesj te doen? Alles had hij zelf gewild. Nog was hij baas in zijn eigen huis!
Daar meteen zou Roosje komen, 't Liep naar
'334