drieën. Roosje was een best kind, nu ze ook niet meer zoo aanhalerig was en zoo huilerig, nu ze enkel voor den boel zorgde, en haar plicht deed en hem verder met rust liet.
Zóó. Drie uur. 't Was lekker zitten achter de kachel. Krantje maar 's inkijken.
Stil in z'n rieten stoel zat hij en soesde over z'n krantje. Buiten regende 't, zoetjes murmelden de druppels neer in de gezwollen sloot, droevig klaagde de zwakke wind om 't huis; in de kamer, waar 't daglicht al ineenschrompelde tot vroege schemering van duisteren voorjaarsdag, roerde niets. De oude man soesde, 't hoofd achterover in den stoel, neergezonken handen, waartusschen de gespreide krant, op z'n magere knieën.
En hoorbaar klom hem de droge adem uit de borst naar buiten toe. Proper was de kamer, met de oude stoelen langs den wand, het witte tafelkleed, van twaalf uur af al gespreid, de schilderijtjes, het miz-rach met helderen bloemenrand tegen het verschoten behang. ... en 't was de trieste properheid van een huis, dat van jeugd en vroolijkheid verlaten is en waar de bedrukte of de oude menschen alleenig achterbleven.
Even dutte de oude man in de stilte, die regen en wind niet verstoorden. Dan lichtslaapsch, onrustig, schokte z'n mager lichaam weer overeind. Bij vieren, en waar nou toch Roosje zat? Moest hij nou zelf nog naar de keuken, om te zien, of 't eten klaar was, 't eten voor tusschen voor-en-na-Seider? Zoo eenvoudig mogelijk moest het zijn, maar 't was voorschrift, de warme maaltijd tusschen de beide Seidergedeelten en er moest voor gezorgd worden. Straks was 't Sjoel-tijd. Waar zat dat kind dan nou?
Debora vragen? Nee, nee, Debora was een vreemde. Debora had nergens mee noodig.... Debora wist al meer dan hem lief was. Ze zou wel komen, wie zou
'335