ling een naar haar dunk uitnemend idee. Ze bedacht, dat het onmogelijk was, dat Roosje en de jongen nu wandelden, zoo laat en in dat weer; ook geloofde ze niet meer zoo grif als daareven, dat hij het zou gewaagd hebben, haar mee te nemen op de vlucht van huis; en de eenige mogelijkheid, die overschoot was, dat ze zouden samen-zijn in zijn huis. Nu, in den avond, met wind en regen buiten, nu was ze daar bij dien jongen in z'n kamer. O, als ze er even had mogen binnengluren, om te weten, wat daar nu gebeurde! Maar nee. ... nee.... het was leelijk daaraan te denken. Ze wilde maar één ding: Roosje waarschuwen dat het Seider-avond was en dat ze thuis moest komen. Zelf er heengaan? Voor geen geld! Zij naar het huis van dien ongetrouwden man! Nou-ja, gekheid, in opspraak zou zij niet komen. Maar toch niet, toch niet. Als hij niet thuis was, of wèl.... en niets wist van Roosje. God-weet, was het kind alleen er op uit met een dollen kop, dorst ze niet thuis komen, bang voor haar, voor vader. Ze had toch gedreigd, dat ze alles vertellen zou. Maar nee, ze voelde het wel. Daar waren ze te zamen, bij hem, in het mooie huis aan de Parkstraat.
Ze wist in hun buurtje, een werkman van zijn fabriek. Dien zou ze den brief laten bezorgen, — een dubbeltje hem geven, 't was genoeg voor de kleine moeite — den brief, dien ze Roosje schrijven zou. Maar ze moest aan hem adresseeren, aan hem ook een paar woorden. God, god, wat een gebeurtenis.... wat een neweire-voor-God, wat een Seider-avond!
Wacht, hier was het papierwinkeltje. Vlug erin. Wat beefde ze, wat hijgde ze.
Als doove Feeke maar niets merkte!
״Uwe blieft?"
״Twee velletjes papier. ... èn een groote, èn een kleine envelop...."
De oude dooveling keek wantrouwig-beduusd om
'331