Een rijke jongen.... een mooie jongen, ja, ze kende hem wel, m'neer Rudi Hannema! En als-ie nou een gek was —■ gek moest-ie ervoor zijn, een rijke, deftige jongen! — en Roos trouwde, al had-ze geen cent, al was ze een Jidde-kind?
Nee.... nee.... nee, ze zou zich nergens mee bemoeien, niet hier en niet daar. Ze liet ze sjalten-en-walten, ieder most zelf weten, wat-ie deed....
Als Roos daar straks terugkwam, zou ze vragen.... zou ze vragen. ... wat ze,... wat ze wou van dien jongen.... wat ze tegen mekaar zeien.... Foèi. ...
foèi____'t gaf geen pas.... tegen een kind, een kind
dat misschien van niks nog af wist....
Jachtig redderde ze voort in den duisterenden winkel. Achter was de oude man al ontwaakt, nu zat hij zeker rechtop en las z'n krantje... .
De middag vorderde, kwam dat kind nou nog niet terug? De Jomtof viel vroeg in, om vijf uur kon ze den winkel sluiten en naar haar eigen huis gaan, om den Seider-avond te vieren bij haar eigen vader en moeder. Isidoor, haar broer, zou overkomen met z'n vrouw, met den laatsten trein uit Amsterdam, vóór Jomtof inviel. Ze hadden drukke dagen achter den rug, het wegruimen van 't gomets, het uithalen van het Paaschgoed, het schoonmaken van de kasten, de heele jaarlijksche Pésach-bereddering.
Roosje had zich flink geweerd, dat moest gezegd, maar alles deed ze zonder gedachte. Haar vader merkte dat niet, maar als ze haar, Debora, wilden bedotten, dan moesten ze vroeger opstaan.... O, die jongen.... die jongen.... die rijke, mooie, gojsche jongen.... Een schandaal was het, een letterlijke Godslaster! En.... wat zeiën ze tegen mekaar, wat deden ze samen, die twee?
Vanavond was het Seider-avond. Hier ook. Hier waren ze met z'n tweeën. Een schlemiel, de ouwe man; nou had-ie er vier, en één mesjogge — ook al
'328