Maar toen het meisje eenmaal verdwenen was, was gauw haar toorn gezakt. Achter de toonbank redderend, in het halfduister van den winkel, terwijl hare handen gedachteloos zich roerden, hadden haar nieuwe gedachten bestormd.
Wat bezielde het kind, het tamme, gedweeë kind, dat jaren-lang haar vaders luimen had verdragen, dat jaren-lang stil en tevreê in het eentonige leven had berust, van wie zij-zelf nooit een kwaad of brutaal woord had hoeven hooren, nooit last met het afrekenen, over inkoop of huisbestier had gehad. Wat had haar nu ineenen tot een furie gemaakt?
Geweldig moest het zijn, wat in het kind was gevaren, haar liefde voor dien ״goj". Hoe 't mogelijk was? Debora begreep het niet. Een rijke jongen, een knappe jongen, een beste jongen misschien, maar een „goj", een „goj", hoe kon een rechtschapen Jidde-kind ernaar talen?
Debora begreep het niet. Ze redderde rusteloos in den winkel, haar neus gloeide van den slag, haar hoofd koortste van nieuwe gedachten.
Nu liep ze tegen de veertig, nu was ze oud, een oude vrijster, een oudbakken „galletje". Op het sjoel-feest, jaarlijks was er geen sprake meer van, dat Debora-van-den-Sjammes danste; Debora bediende, Debora schonk heete thee aan het „souper" van brood-jes-met-pekelvleesch en augurkjes. Debora hoorde bij de oudjes, bij de getrouwde vrouwen, bij de weduwen.
Vroeger.... nou ja vroeger, toen ze vijfentwintig was.
Bennie, die had geen broodwinning gehad, Bennie die in geëmailleerd goed deed, potjes en pannetjes, Bennie die alle Donderdagen op de Koeienmart had
moeder z'n brood had gege-koffie, iederen Donderdag,
gestaan, en dan bij haar ten met een kom heete
net zoolang tot Bennie en zij het samen eens waren
'325