winning, waar geen spoor bestond van strijd of twijfel, waar de overwinnaar glorieus te voorschijn kwam, die den ander had geveld, zonder zelfs een hand naar hem uit te steken.
Maar vader was er wel, niet zijn doode geloof, maar zijn levende, deerniswekkende ouderdom. En als aan iets van lang-geleden en gelukkig-ontgaan, maar dat toch nog klem en beangstiging gaf, dacht ze ook aan wat er dien middag — was dat nog maar enkele uren terug? — tusschen haar en Debora was voorgevallen. Nu wist vader alles, o, zeker had de woedende Debora hem alles verteld. Wat zou vader doen, wat zou vader zeggen, als ze thuiskwam. De zekerheid, dat hij, die in geen jaren iets had gedaan, of (iets van beteekenis had gezegd, nu zeker iets zou doen, zou zeggen, vervulde haar met een gevoel van matelooze beklemming. Wat was ze toch bang voor vader! O, groot was haar vertrouwen in Rudi, in zijn goeden wil, maar zwaar lagen nog in haar ziel de druk en de bekommernis van het oude leven, ze kon zich niet voorstellen, dat de weg naar geluk nu open en onbelemmerd lag voor haar uit, overstraald van Rudi's zonnigheid en dat ze dien vrijelijk mocht betreden.
Ze had het gevoel, als ze nu naar huis ging, of haar daar iets wachtte, dat haar voor altijd het weerkeeren tot Rudi beletten zou. Bang was ze, bang voor vader, bang voor Debora, bang voor het buurtje, bang voor alles, dat tot het oude, drukkende leven behoorde. En hier, o, de dag duurde nog uren, nog uren, en hier bij hem waren de uren van louter goud. Hier in zijn kamer, de rustige kamer, vol weelde van bloemen en mooie dingen, vol warmte en getemperd lamplicht; en hier was hij....
De hitte van den opgegloorden haard gloeide haar wangen aan, haar oogen voelde ze branden, de oogleden zwaar en een heerlijke vermoeidheid zeeg door
'323