met neergeslagen oogen. Rudi glimlachte; hij voelde, hij wist, dat ze bedrukt zat onder het al te groote geluk, het geluk van hèm. Het streelde hem, hij wilde haar bedrukter maken van nog meer geluk. Hij wilde dezen dag voor haar tot een onvergetelijken feestdag doen zijn. Stil naast haar zette hij zich, haar handen in de zijne en vertelde van later, van hoe hij hun toekomst zag, de toekomst van hen-beiden.
Hij zag haar onder de streeling van zijn stem bleek-worden, voelde het verrukte sidderen van haar handen, zag de tranen, die opstegen in haar glanzende oogen. Toen voelde hij ook een siddering langs z'n eigen slapen, over z'n wangen, om z'n mond. Hij voelde in het leed, dat nu vreugde was, in de deernis, tot wellust verworden, zijn wil versmelten en tenonder-gaan....
Toen 't avond werd, buiten donker, waar nog wind woei en regen stoof, boomen zwaaiden hun zwarte takken, sloot Rudi de goudgele gordijnen en maakte licht. Hij bukte zich ook voor den haard, morrelde even, onbeholpen.
״Heb jij daar verstand van... .?"
Roosje sprong op, blij dat ze helpen kon. Samen hurkten ze neer voor den uitsmeulenden haard.
„Je blijft nu ook bij mij eten, nietwaar?"
Roosje voelde hoe ze bloosde, haar wang lei ze tegen z'n schouder aan.
Ze voelde niet de minste „godsdienstige" bezwaarlijkheid om bij Rudi te blijven eten. Meer dan belachelijk, wrange laster leek haar de enkele gedachte, dat, wat Rudi dagelijks at, onrein kon wezen voor haar. Hoe dood en duf, afkeerlijk haast, leek haar plotseling de verdorde godsdienst, — die zóó iets beweerde, en die toch jaren lang en zonder denken haar eenige was geweest, — naast de levende heerlijkheid van hare liefde. Er was zelfs geen sprake van over-
'322