het altiid beschouwd, als een buitenstaander, met een aandrang er voortdurend om te glimlachen, een beetje aangetrokken, een beetje spottend, een beetje weerzinnig.
Nu had hij het zijne, de diepe, plotselinge begeerte, die hem ineens overstormde, uit Roosje's leed en uit zijn eigen deernis. Ze moest weer bij hem komen, op zijn knie zitten, vertellen van haar geleden leed, tot ze schreien zou. Dan zou hij haar kussen, haar tranen proeven in zijn mond als daareven, en het zou weer het-zelfde zijn, de nooit geweten verrukking.
Maar ook zonder dat, hoe zeker wist hij nu, dat hij Roosje liefhad, hoe sterk stond nu z'n besluit, Roosje te trouwen, haar voor altijd bij zich te nemen.
Doch de moeilijkheden, ook die wist hij, nu pas goed.
Haar vader, die onverzettelijke, oude man.... die vreemde wereld, waaruit zij stamde, zoo geheel anders dan zijn eigene; die duistere, drukkende godsdienst, vol belemmering en plicht, waarin ze was opgegroeid en tot nu toe was geketend gebleven. En toch, niet de geringste vreemdheid, geen spoor van weerzin tegen al dat hem-onbekende, die andere, onvermoede wereld nam hij in zich waar. Ze waren, afzonderlijk, op zoo verscheiden wijze opgegroeid en opgevoed, als twee menschen maar kunnen, en nu, hij voelde het, nu zouden voortaan hun levens, hun zielen in volkomen harmonie kunnen samengaan.
Hij dacht aan wat zijn moeder zou zeggen. Geen tegenstand van haar. Misschien wat zorgelijken raad, wat bedenkelijkheid. Ze had haar heele leven aan hem alleen gedacht.
Maar zijn zuster, zijn deftige zwager, z'n studie-genooten, wat zouden ze hem allemaal bespotten! Het leek hem zoo gering.
Stil en bedaard voelde hij zich weer, hij ging naar Roosje toe. Ze zat rechtop op de bank, bleek en moe,
'321