Ze wist niet meer, ten laatste, ze bleef stil, zoo als ze zat, (volmaakt zalig, niet meer willend of wetend van verandering, als een kind, dat bij z'n moeder hevig heeft uitgeschreid, nu ledig is en moe, maar nameloos gelukkig tegelijk en zich voor altijd veilig rekent.
Vaster drukte Rudi's wang, ze voelde de warmte door haar haren heen, inniger klemde z'n arm en het schemerde om hen heen van buiten af de kamer binnen.
Roosje voelde haar liefde voor Rudi bewust, smartelijk van hevigheid... . Een duizel sloeg door haar hoofd, een felle gloed tintelde door haar heen; ze kende dat niet, ze wist niet wat het zeggen wilde, ze voelde maar hoe ze beefde in de omvatting van zijn arm. En Rudi's wang gleed van haar haren weg tegen haar slaap en bleef nu daar rusten. Zacht streelde de adem van z'n half-open mond haar hals.
Toen opeens wist ze, dat ze dien mond kende en liefhad. Ze gaf zich geen rekenschap van wat ze deed, ze wrong haar hoofd omhoog en vatte het zijne tus-schen haar handen. En z'n mond zoende ze lang en aanhoudend en wist niets te zeggen dan ״jij".... „jij".... „jij". Ze meende, dat ze hem zoo zei, dat hij haar eenig geluk en haar volmaakte betrouwen was.
Toen zoende ze z'n vochtige oogen, z'n voorhoofd, z'n haren....
Even had hij aan het Indische meisje gedacht, het meisje van jaren terug, als een flits was de herinnering aan haar hem door het hoofd gegaan, toen hij Roosje's lippen op z'n mond voelde. Eén kort moment van weerzin uit die herinnering.... toen had hij vast en diep geweten, dat dit anders was, dat hij dit kind liefhad, als zij hem, zij het minder diep misschien, omdat hij minder geleden had.
Hij had haar nooit hevig vermoed, een stil, lief
'319