ren, haar verstootend en opnemend naar luim en inval .... Later zou ze naar de Normaalschool zijn gegaan; dat was toen weer haar geheele hoop geweest, een vriendin te bezitten, kinderen te verzorgen, lief te hebben, te verwennen, o, iemand maar, iemand maar, deed er niet toe wie. Met een hond was ze tevreden geweest, als die maar had haar hand gelikt en dankbaar naar haar opgezien. Als een honger had het in haar gewroet — o, Rudi wist niet, Rudi kon het niet weten — het verlangen naar iemand voor haar alleen, om te verzorgen, om lief te hebben, en die haar liefhebben zou. Esther had haar beschimpt, vader haar soms wel geslagen, in vroegere jaren, om haar gaan met de buurtkinderen. ... ze hadden het niet begrepen.... zij-zelf later ook niet. Ze verweet zich nu haar gebrek aan hóóghartigheid, maar laaghartigheid-zonder-meer was het toch ook niet geweest, dat moest Rudi vooral niet gelooven.
En later, toen ze allemaal weg waren en ze leefde met vader alleen, jaren, jaren, o, de treurigheid van dat bestaan zou Rudi heelemaal niet begrijpen kunnen. ...
Terwijl ze vertelde, stil voor zich uit, zonder haperen, het verhaal van trieste, innerlijk-geleden armoe, gebogen in haar stoel, den blik neer naar de samengevouwen handen op haar knieën, was Rudi plotseling opgestaan. Hij was naar haar toegekomen, had haar uit den stoel opgenomen en haar laten zitten op z'n schoot. Hij zag heel bleek, z'n stem was zacht en heesch.... toen hij vroeg of ze door-vertellen wilde.
Z'n arm hield hij vast om haar heen, z'n wang, de zachte meisjeswang, rustte op Roosje's donker haar. En Roosje vertelde verder, alles wat ze wist, van het groote leed, dat slagen sloeg en het kleine, het nijpende van allen dag. Het was een zoet-smartelijk geluk, zóó te vertellen, zoo haar ziel te geven in de vertrouwelijkheid der omarming.
'318