een groote wandeling naar buiten maken, tegen den avond zou ze terugkeeren •naar huis, om met vader den Seider te vieren.
Toch was er, terwijl ze gauw van blouse en schoenen verwisselde boven op het kille zolderkamertje, iets van beklemming in haar, een vage benauwenis, als een drukkende schaduw over den glans van haar vreugde, om de wijze, waarop juffrouw Debora haar had aangekeken aanhoudend, zooeven aan tafel. Zóó had ze al eerder gekeken, en Roosje was er aan gewend geraakt, maar ditmaal was er dreiging geweest in haar blik, al had ze geen woord gezegd.
Allang had Roosje zichzelf verweten, dat ze onvoorzichtig deed, met Rudi's brieven en boeken te laten bezorgen aan den winkel, waar juffrouw Debora ze in bewaring nam, die er ongetwijfeld het hare van dacht. En ieder maal had ze zich voorgenomen, Rudi te spreken over een betere, een veiliger wijze van bezorging. Veel had haar daarvan teruggehouden. Ze was beschroomd, om Rudi iets te vragen, even beschroomd voor, afkeerig haast van vragen, als ze soms haken kon naar geven, naar opoffering. Ze was ook bang, dat een slinksche wijze van correspon-deeren — en ze wist niet eens hoe — Rudi afstooten zou, hem afkeerig maken van het voortzetten hunner briefwisseling.
Ze voelde, hoe vreeselijk zij die brieven missen zou, haar eenige bezit, haar eenige licht, o, Rudi-zelf wist niet hoe strikt haar éénige rijkdom. En ook, zij-zelf was afkeerig van het slinksche; te goed al voelde ze het geheime wandelen, haar heele anders-geaarde leven als dingen die hem hinderen moesten — door haar niet beschamend, maar belemmerend — en die hem ten slotte zouden tegenstaan misschien, zoodat hij haar zou opgeven.
Als ze dat dacht, toornde ze tegen zichzelf, om haar gebrek aan vertrouwen in den boven-alles geliefden
'312