het hoofd, als dat, moe van het bidden en van het late waken, op het kussen zich te rusten lei. O, de warmte van dat alles, het heerlijk levende, dat zijn kinderlijke verbeelding had gemaakt van wat voor anderen — hoe had hij het geweten, later! — niet anders dan doode vorm en ceremonieel was. Nu hij het vergeleek met het huidige leven, het dorre, kille, liefdelooze, nu krampte het smartelijker in hem dan ooit, voelde hij het vlijmend wee der herinnering, de zoet-wreede, aan het lang voorbije, het nimmer te herkrijgene, als een ondraaglijke pijn.
En toch, dezen hier waren zijn geloofsgenooten, zijn rasgenooten. Wat wisten zij nog van Seider-avond, wat voelden zij ervoor? En die er wel van wisten, wèl herdachten, wat verbeeldden ze zich erbij? Niets verbeeldden ze zich, omdat eeuwen van verdrukking en verkommering hun verbeeldingen hadden ontaard of geheel ten ondergebracht.
Hij alleen, peinsde de jongen, hij alleen kon nog de waarachtige diepe schoonheid van het Jodendom gevoelen, die er — maar zonder haat — worstelend en brekend boven uit gestegen was, zooals de dalbewoner, ten hoogen berg gestegen, pas de schoonheden van zijn woonplek ziet.
Leonnetje praatte, vroeg.... nu hij de vraag opving, meende hij, 't was al voor de tweede maal. Hij voelde zich afkeerig van antwoorden, wilde alleen weg.... weg zoo gauw mogelijk. Ze mochten hem onbeschoft vinden, ondankbaar, alles wat ze wilden. Maar ze zouden het, zijne fiere geloofsgenooten, den ״artiest" wel vergeven.
Hij stond op. Verderop aan tafel werd gelachen, gebulderd van pret om een kapitale grap. Onwillekeurig keek hij erheen; Pim en Max hadden ieder met ééne hand een groote schaal gebakjes aangevat, die ze nu ophieven boven de tafel uit....
„Keho, lagmo, nganjo.... diagonoe", zwaar hak-
'310