Hij begreep, dat hij tante Lena's uitnoodiging óók te danken had aan het in een voornaam tijdschrift gepubliceerd-staan van zijn naam. Lezen deden ze zeker dat tijdschrift niet, maar Jozef had natuurlijk geklapt en nu vlasten ze op het pronken met den ״beroemden" neef, den „dichter" bij het duffe stelletje vrinden en familie, van de soort ongetwijfeld, die hij bij Jozef had ontmoet.
Van die menschen trok hem de bewondering in het minst niet aan, de bewondering die toch alleen gericht was op wat ze vermoeden zouden de vermeerdering van z'n maatschappelijk aanzien. Het verveelde hem reeds bij voorbaat, daar te zitten als „de dichter" te pronk. Maar Jozefs briefje was hartelijk-aandringend — betoogend dat men z'n familie — en oom Manuel was immers moeders eenige broer — niet in den steek mocht laten, familie, van wie hij, Jozef, zooveel voorkomendheid had genoten, en die volstrekt niet neerzagen op hem en z'n vrouw, al waren ze rijk.... en dat hij tante Lena reeds verzekerd had, dat Daniël wel zou komen, en dat Daniël hem nu niet teleurstellen moest, — dat Daniël plotseling de neiging in zich voelde z'n broer dit genoegen te doen en een van z'n eenzame avonden te ruilen voor het feest van Saar en Bets. Ook voelde hij goeden Jozefs heimelijke bedoeling wel, van te willen laten zien, dat er óók uit hun gezin wel iets goeds voor den dag kon komen, en hij begreep dat Jozef het aanzien van z'n broers medewerken aan een groot tijdschrift hooger stelde dan Oom Manuels rijkdom en het ruim geld verdienen van Pim en Max.
Had hij even het aangename gevoel van edelmoedig te zijn, toen hij Jozef schreef, dat hij de uitnoodiging aannam.
Volslagen lusteloos, opziend tegen den komenden feestavond als tegen een stuitend-zware taak, zich af-
De Verlatene 11
'305