welks bestaan hij voelde, en waarbij alle voldoeningen, alle ijdelheden, alle dwaasheden en de zoogenaamde verhevenheden net even goed, klein en belachelijk schenen. Dit was niet een met zijn wil gevormde overtuiging, veeleer een wijze van zien en waarnemen, waartoe hij zich voortdurend krachtiger, gedrongen voelde. Zijn eigen dichterijen vond hij dus even weinig gewichtig als de kritiek op die verzen, zijn ijdelheid precies even dwaas als zijn dédain. Maar hij wist ook al wel, dat onze geringste aardsche geneigdheden sterker in ons zijn dan onze verheven-ste overtuigingen en dat we niet leven kunnen op een onbegrepen wezen, en dus allemaal leven moeten op een tastbaren schijn. Hij nam ook in zichzelf waar, dat hij blij was met het geplaatst-zijn van de verzen, met de waardeerende woorden van onbekende menschen, omdat dit alles hem een overwicht gaf in de oogen van anderen, omdat hij benijd, besproken, bewonderd wellicht later zou worden, omdat het hem maakte tot iets aparts, plotseling kop-hoog boven de anderen, de rijke, de voorname, de knappe studenten uit. Hij duchtte wel, dat hij, zoo denkend op weg was een ,,Streber" te worden, maar hij wist ook, wat hem dan tot een „Streber" zou hebben gemaakt, die — tot dusver verborgen, van hemzelf ongeweten — kiem ontwikkeld, die anders misschien nooit tot ontwikkeling zou zijn geraakt: het was de wrok tegen Verrijn en Kunst en, in mindere mate, tegen de anderen.
Hij verachtte zichzelf omdat hij zich op weg voelde in geestelijken zin een prots te worden, zooals iemand zichzelf kan verachten om de verslaving aan een genot en er toch niet van kan afstand doen.
Ook troostte hij zich dan: het was het eenige, wat hem bleef. Hem was alles ontnomen, het vermogen om vrienden te bezitten en het uitzicht op liefde, voor toekomst en nu.
'304