Het coquette vriendinnetje, dat hem ééns uit eigen beweging een potlood leende, ééns inlichting vroeg om iets, dat ze niet had verstaan, bracht hem met haar in aanraking. Het werd al gauw gewoonte, dat hij haar beiden na afloop van de bijeenkomst naar huis bracht.
En toen, na eenigen tijd, voor het vriendinnetje, dat den cursus was begonnen om het nieuwtje en omdat 't mode was, en iedereen het deed, de aardigheid eraf was en zij wegbleef meer en meer, gebeurde het vaak en vaker, dat hij met Pauwtje alleen des avonds liep naar huis toe.
Pauwtje vond het goed, scheen het zelfs prettig te vinden: het was volmaakt duidelijk, ze stelde belang in hem, ze vond het aangenaam met hem te praten, ze begon sympathie voor hem te gevoelen, het was merkbaar uit den blik van haar oogen, met hun wijden opslag, die niets veinzen konden en niets verloochenen.
Het geluk daarom sloeg door Daniëls ziel als een vlam, lichtend en verwarmend. Er waren momenten, waarin hij zich van de toekomst volmaakt zeker gevoelde, waarin hij onwrikbaar geloofde dat Pauwtje hem eenmaal liefhebben en toebehooren zou. Maar ook wist hij, dat het alleen met geduld en volkomen zelfbedwang te bereiken zou zijn en dat het zijn plicht was haar van al het wrange en bittere in hem, den haat en het wantrouwen onwetend en onberoerd te laten.
Gauw ervoer hij het: dit alles was hem ondoenlijk. Rust en evenwicht ontbraken hem, het alleen-leven was hem tot gewoonte geworden, haat en wantrouwen tot natuur, en daarvan viel niets te verbergen, niets te loochenen.
Hij kon niet rustig zijn en geduldig, nu hij zóó liefhad. Hij wist, dat hij het blijmoedige, onbevangen, rustig-goede kind onherroepelijk van zich zou ver-
'291