Maar zijn eenzaamheid woog hem van nu af als een last, de uren kropen traag dien winter, in de saaie sfeer van z'n onhuiselijk en slecht-gemeubeld huurkamertje, waar hij woonde alleen en altijd alleen.
Het was in dien tijd, dat hij zich nog eens waagde aan een bezoek bij Jozef, zijn broer, wiens zoontje hij nog niet had gezien. Hij kwam vandaar weer, tot in zijn diepste wezen gedegöuteerd en zonder schijn van twijfel of hij zou nu in dat huis en in dien kring nimmermeer terugkeeren.
Urenlang dacht hij aan Pauwtje, verlangde naar haar, begeerde haar. In 't duister zat hij, diep in zijn stoel, de oogen toe, en dacht zich haar hoofd, haar gezicht, haar rimpelloos voorhoofd, haar blijmoedige onverschrokken oogen, den onbevangen lach om haar zachten kindermond, waarin de zuivere tanden lokkend blonken. Hij begeerde hevig dien mond te kussen, hij begeerde haar voorhoofd te omvatten tus-schen zijn handen, hij begeerde haar bij zich te hebben, voor altijd en voor alles. IJdel leken hem nu haat en ambitie, kinderachtig de begeerte naar macht door geestelijk overwicht, waarop hij langen tijd had geleefd. Voos en vaal alles, wat hij tot nu toe gedacht en gevoeld en geleden had. Zijn wrok tegen Kunst en Verrijn en de anderen leek hem kunstmatig, een opgeschroefde verbeelding, die hem allang verveelde en tegenstond.
Maar zijn wantrouwen hield hij vast. Dagelijks herdacht hij met zijn wil, opzettelijk, als een zware, maar noodige taak, wat hem met Loesje Bonten indertijd was wedervaren. Hij hervoelde dan de smadelijkheid scherp, maar tegelijk wist hij, dat hij, zelf toen een kind, dat kind nimmer had liefgehad zooals hij nu wist Pauwtje lief te hebben, met zijn geheele wezen, volmaakt en onverdeeld. Maar zijn wantrouwen hield hij vast.
'290