Er kwamen dagen, dat hij in alle bekenden vijanden zag, op alle gezichten hoon en minachting meende te lezen. Dan lette hij op iederen blik, ieder gebaar, ieder woord tot hem gericht, dan nam hij in dat alles een op ras-verschil gegronden hoogmoed waar en reageerde op dat hem absurd-schijnend gevoel met dédain en stugheid. Zóó maakte hij zich tot werkelijke vijanden de goedmeenende, joviale kameraden van voorheen, die hij afstiet door z'n dwaas-lijkende hoogdoenerij en die hem op hun beurt met spottende verbazing gingen behandelen of schouderophalend links lieten liggen. De groeiende waan, dat hij zich voortdurend te verdedigen had tegen de geringschatting van allen, die hij kende, gaf hem een schijn van aanmatiging en pedanterie, die zijn eigenlijke ziel vreemd was, omdat hij daarvoor alles wat hij en anderen deden en dachten te onbelangrijk vond en niets in hem zóó sterk was, als juist het besef van zijn eigen en andermans kleinheid en betrekkelijke onwaarde.
Maar den schijn van dwazen hoogmoed had hij, en op den schijn reageerden de anderen met terughouding of met spot. Zoo voelde hij zich verstooten en begon hij degenen die hem, naar hij meende onredelijk, om zijn Jood-zijn, verstieten, op zijn beurt te haten. Vaak schrok hij op van de somberheid en van het geweld van zijnen haat. Zoo haatte hij Verrijn, zonder zucht hem klein te kwellen, maar met de voortdurende begeerte hem met éénen slag neer te mokeren. Zoo haatte hij Kunst, een vriend van Verrijn, een voornamen, welgekleeden jongen, dien hij vroeger met stillen spot had beschouwd als een erg-met-zichzelf-ingenomen intelligente middelmatigheid, van de soort, die ״uitblinkt" in zijn vak, en waaruit het geleerde philisterdom — dat diepzinnige vakwerken schrijft, en welvoorziene bibliotheken aanlegt en keurige redevoeringen houdt bij begrafenissen en jubileum, — de knappe professoren en de ver
'286