zou kunnen zijn. Zoo als hij, na zijn breuk met het Jodendom, ieder nieuw partij-verband had geschuwd en was blijven schuwen, zoo zou hij na deze nieuwe breuk vriendschap blijven schuwen. Hij was nu een-en-twintig jaar, hij was te jong voor de eenzaamheid, die hij op zich nam, ondanks dat hij oud was voor zijn jaren, en daardoor had hij in den zwaar-moedigen herfst, die nu kwam, heel dikwijls buien van wanhoop en troosteloosheid.
Verrijn werd, Daniël voelde het, meer dan hij het vernam, ondanks zijn opvliegendheid en z'n hooghartigheid — of misschien juist door dat laatste — bijzonder aangezien, getapt haast onder z'n clubgenoo-ten. Hij had ook Hein in z'n zelfgevormde club gebracht en hem van zijn eenvoudige levenswijs geheel en al vervreemd.
Daniël en Verrijn groetten elkaar niet langer en Daniël voelde, hoe Verrijn hem haatte, méér misschien dan hij het den Utrechtschen ploert had gedaan — tegen wien hij tenminste in gerechtigheid had kunnen toornen, — om z'n trots en teruggetrokkenheid, die hem beschaamde en verbitterde tegelijk. De waardigheid van een Jood wakkerde zijn Joden-weerzin feller aan dan ooit eenige onwaardigheid had kunnen doen. Hij maakte in z'n club een voortdurende antisemietische propaganda en omdat hij geestig was en velen zich vleiden zijn vriend te mogen zijn, won hij grifweg aanhangers onder de laffen en de onnadenkenden.
Dit was de werkelijkheid, waarvan Daniël de gevolgen om zich heen voelde, als hij met de anderen op de collegebanken zat, maar zijn wrang wantrouwen vermoedde die bestaande werkelijkheid tienvoudig vergroot. Hij begreep dat, en zoo werd voortdurend zijn ziel gepijnigd door den twijfel, wat door-wantrouwen-gewekte waanvoorstelling, wat werkelijkheid was.
'285