een wantrouwen tegen iedereen, het oude wantrouwen, uit bitterheid om miskenning en achteruitzetting ontstaan, dat jarenlang onderdrukt had geschenen en er nu weer was, sterker en bewuster dan ooit.
Korten tijd na zijn afzonderlijk gaan wonen sprak Hein hem aan na college. Hij had hem opgewacht en verweet hem, in gejaagde, drukke woorden, tegen z'n gewoonte van kalm-en-bedachtzaam praten in, z'n plotseling weggaan, z'n brief en dat hij nu niets meer van zich liet hooren. Daniël luisterde scherp, zonder weerwoord of verweer. En in zichzelf nam hij waar, dat hij plotseling den vriend, den getrouwen vriend van jaren, valsch vond. In zijn woorden, zijn gebaren, ook in den blik van zijn oogen speurde hij valschheid.
Maar tegelijk begreep hij dat die indruk, goeddeels althans, uit een verandering in hemzelf, niet in Hein, voortkwam en dat er in hem iets vernietigd was. Wat hem uit z'n benepen jeugd nog had gerest aan spontaneïteit, zijn tot nu toe ongedeerd goed-vertrouwen, zijn drang-naar-toewijding, alles voelde hij in zich ten ondergaan. Hij antwoordde dus maar niet op Heins woorden en vroeg niet anders dan of Maarten Verrijn nu weer bij hem en de anderen inwoonde, en of ze al iemand hadden in zijn plaats.
Kalm en zakelijk nu antwoordde Hein, dat Verrijn inderdaad weer bij hen ingetrokken was — hij had immers nog niet eens naar een andere woning omgezien — en dat er voor hem nog niemand was, maar dat een jongere broer van Dries Bieker na zijn groentijd zou komen.
Ze namen dan afscheid, zonder dat Hein hem z'n adres had gevraagd.
Daniël voelde zich van dien dag af volslagen eenzaam, een verlaten bestaan was het zijne, waarin hij besloot te volharden, zoolang het gaan zou. Hij voelde wel dat hij met z'n door wantrouwen verbitterd innerlijk leven voor niemand langer een goed vriend
'284