niet heenging uit geraaktheid om hun gesprek en dat hij zeker zou zijn gebleven, als Hein in het conflict tusschen hem en Maarten Verrijn hem had gekozen om persoonlijke voorkeur. Het plichtmatig besluit, dat meer zijn eigen beginselen dan den vriend betrof en dat hij blijkbaar als een offer beschouwde, noopte hem zich terug te trekken. Het speet hem voor hunne jarenlange vriendschap, al hadden Heins woorden van meevoelen met Verrijns beweringen aangetoond, hoe diep verscheiden ze toch eigenlijk waren in hun innerlijk wezen.
Dien brief legde hij den volgenden dag op Heins kamer en vertrok. De paar nachten, dat hij nog geen ander onderdak had, sliep hij in een goedkoop logement, werkte 's morgens in de universiteits-biblio-theek en ging in den namiddag op den zoek naar een kamer. Hij vond er al gauw een en trok daar dadelijk in.
Hij was vast besloten niemand meer te zoeken en zich bij niemand aan te sluiten. Hij ging eten in een Volksgaarkeuken aan het andere einde van de stad, den eersten dag al, en die eetgelegenheid leek hem triester en naargeestiger nog dan de andere, die hij nu kende en waarin hij was gewend van jarenlang. Ook stond het anders-toebereide eten hem opnieuw tegen. Dien eersten middag zat hij daar dus, heel alleen op de lange, smalle bank, aan een punt van de ongedekte tafel. Hij zag er niets dan stugge werkmanstronies; studenten en lieden van hun soort kwamen er blijkbaar niet, de verzoeking om zich aan te sluiten, zou niet groot zijn.
Even vond hij zichzelf een dwaas, dat hij zich vrijwillig stak in die triestige verlatenheid en niet tenminste de oude eet-gezelligheid behield voor allen dag; maar behalve dat hij zich weerzinnig voelde, den goeden, maar onfijnen Dries opheldering te geven van z'n plotseling vertrek, nam hij in zich waar
'283