״Jij vindt die antipathie begrijpelijk?" Het was het eenige, dat Daniël antwoorden kon. Schril en hortend schoten de woorden naar boven uit zijn genepen keel.
״Ja, begrijpelijk.... 'k heb niet gezegd sympathiek
״Begrijpelijk, dat iemand antisemiet is, begrijpelijk, dat jullie altijd generaliseert? En als een Jood iemand z'n meisje afneemt, vindt-je 't begrijpelijk dat hij dan Joden niet langer dulden kan? Dat allemaal vindt jij begrijpelijk? Een man, een ploert heeft Verrijn z'n meisje afgenomen. Als het geen Jood, dus een zoogenaamde Christen was geweest, zou hij dan nu alle Christenen haten? Waarom is het altijd de Jood.... niet de man, maar de Jood, die het heeft gedaan?"
Hein was onthutst om Daniëls heftige bitterheid. Onthutst en ontstemd óók. Hij had dankbaarheid verwacht, verblijding om wat er besloten was. Hij hield veel van Daniël, maar voelde zich ook zéér tot Verrijn, die zijn eigen neef was, een onstuimigen, bij tijden hevig-onbillijken, maar fijnen en voornamen jongen aangetrokken. Toch had hij Maarten opgeofferd en hem feitelijk de deur gewezen, nu het om Daniël ging. En Daniël deed nu zóó. Hij antwoordde niet, bedacht, dat Daniël wel wat heel licht geraakt was ten aanzien van zijn geloof en zijne geloofsge-nooten. Heftige reacties van zijn vriend op vrij-on-schuldige opmerkingen van anderen kwamen hem in den zin. Er was altijd een soort spanning, als ze met velen en vroolijk bijeen waren, een spanning die Daniël met z'n wantrouwen en overgevoeligheid schiep.
En Verrijn mocht onberedeneerd en onbillijk wezen in de algemeenheid van zijn antisemietisch sentiment; dat hij dit nu meer dan ooit veralgemeende, nu een ploertige Jood hem zijn liefste bezit had ontstolen, dat bleef hij, wat Daniël ook zei, volmaakt begrijpelijk vinden.
Ze wandelden zwijgend en stug huiswaarts langs
'281