gewennen aan een beter en bezadigder leven dan ze ooit had geleid — ze was van haar zestiende jaar af vrijwel altijd een scharreltje geweest — toen een ander, een schatrijke jongen, hoewel hij alles wist van Maarten en het meisje, haar met cadeautjes en bloemen en geld naar zich toe had gelokt, alleen om Maarten te knauwen en zonder plan het meisje ooit tot z'n vrouw te maken. Die jongen was een Jood. Maarten, onberedeneerd en onstuimig in al zijn sentimenten, scheen van nature sterke antisemietische neigingen te hebben en had door zijn invloed den ander eenmaal uit een dispuut geweerd.
Daarom had die ander hem nu met z'n geld en z'n mooie praatjes het meisje, waarvan hij hield en voor wie hij z'n vader trotseerde, afgenomen.
Minder dan ooit te voren kon Maarten nu Joden dulden. Hij had, met rustige voornemens gekomen, onmiddellijk wetend, dat Daniël een Jood was, getracht z'n weerzin ten onder te brengen, omdat Daniël hem goed en rustig leek en hij bovendien den eersten dag al vernam, dat hij de beste vriend was van zijn neef. Maar hij had zich-zelf niet kunnen overwinnen. Het gevoel van intieme samenwoning met een Jood knauwde hem en irriteerde hem voortdurend. Daarom had hij het samen-eten voorgesteld, wetend dat Daniël daaraan niet kon meedoen, en hij bruskeerde Dries, om Daniël niet dadelijk te doen merken, dat hij eigenlijk hem alleen bruskeeren wilde.
Ten slotte had hij van Hein geëischt, dat hij het samenwonen met Daniël zou verbreken of met hem, Maarten, alleen ergens anders heen zou trekken.
Maar Hein had geweigerd en nu was het besloten en vastgesteld, dat Verrijn de woning verlaten zou en met anderen gaan samenwonen. Hij wilde zijn vriendenwoord aan Daniël niet breken en evenmin zijn neef steunen in diens antipathie, al vond hij die antipathie begrijpelijk.
'280