ven. Waren ze samen alle vier, of was Hein met Daniël alleen, dan betoonde hij hem wel de oude hartelijkheid en verontschuldigde zich soms om zijn drukken omgang met Maarten. Maarten was zenuwziek geweest: hij scheen veel te hebben doorgemaakt den laatsten tijd en Hein kon zich niet onttrekken aan de taak hem door zijn gesprek en gezelschap op te wekken, zooals Verrijn het toonde te begeeren.
Korten tijd na Maartens intrek hoorde Daniël ook de geschiedenis van zijn duel. Maarten was voor enkele dagen naar zijn ouders te logeeren gegaan en in die dagen was Hein stil, afgetrokken, zoodat Daniël den indruk kreeg dat zijn vriend den neef bijzonder miste, en in zijn gezelschap niet de geringste vergoeding meer vond.
Zijn hooghartigheid had hem belet, iets te vragen, zich te beklagen zoolang Maarten er was; nu nam hij zich voor, met Hein te praten en te weten, waaraan hij zich te houden had. Maar Hein voorkwam hem, door hem op een avond na den eten mee te vragen voor een wandeling als van ouds. Hij had, zeide hij, hem wat belangrijks te vertellen. Ze gingen dan den Amstel langs, voorbij het Kalfje, tot Ouderkerk toe, waar ze aankwamen toen het al donkerde. Tegenover de rivier, waarin de bruggelichten diep en helder weerkaatsten, gingen ze zitten en namen een glas bier. Toen vertelde Hein van Maarten en van zijn duel in Utrecht.
Verrijn had daar een meisje gehad, een meisje van minderen stand, maar dat hij zich voorgenomen had, tot zijn eigen hoogte op te heffen en later te trouwen. Voortdurend was hij daarover in oneenigheid geweest met zijn vader — broer van Hein Bontens moeder — die heel rijk was en om z'n buitengemeene hooghartigheid afgezonderd leefde. Maarten hield van zijn vader, maar hij had nog meer van het meisje gehouden. En het meisje hield van hem, liet zich door hem
'279